14 juni 2026

De orgels van de Grote Kerk in Leerdam


In bewerking


Het orgel in Leerdam, mei 1964
Foto: G.Th.Delemarre
RKD 98.843
























Het eerste orgel, - 1853

Het eerste orgel van de Hervormde Kerk in Leerdam wordt in de archieven voor het eerst vermeld in verband met bouw- en reparatiewerkzaamheden tussen 1615 en 1625, uitgevoerd door de gerenommeerde familie Kiespenninck. Een vroege en concrete aanwijzing hiervoor is te vinden in de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1615, opgemaakt door de burgemeesters Frans Adriaansz. Cool en Jan Willemsz. Daarin wordt melding gemaakt van een betaling van 200 gulden aan de orgelmaker Kiespenninck, door Frans Adriaansz. Cool voldaan als eerste termijn voor het maken en repareren van het orgel in de kerk van Leerdam.

In de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1620 wordt opnieuw melding gemaakt van een betaling aan meester Kiespenninck: het betreft de laatste termijn van 200 gulden voor het maken van het orgel, vermeerderd met 12 gulden en 10 stuivers aan rente, omdat het bedrag moest worden geleend. Hieruit blijkt dat de werkzaamheden over meerdere jaren waren gespreid, met een eerste betaling in 1615 en de laatste in 1620.

Wanneer deze posten worden samengenomen, kan worden geconcludeerd dat de verbetering van het orgel een totale som van circa 1.200 gulden heeft gekost. Dat was een zeer aanzienlijke uitgave: in 1615 bedroegen de totale stedelijke uitgaven 2.911 gulden en in 1620 3.024 gulden. De stad besteedde daarmee ruwweg een zesde deel van haar begroting aan het orgel, verspreid over meerdere jaren. Het feit dat men zelfs een lening met rente van 6,5 % moest afsluiten om de laatste termijn te voldoen, onderstreept hoe zwaar deze investering woog en hoe hoog men de waarde van het orgel inschatte.

Die waardering blijkt ook uit de keuze voor de uitvoerder. De restauratie werd toevertrouwd aan de familie Kiespenninck, een naam die in de orgelbouw hoog stond aangeschreven. Leden van deze familie, onder wie Albert en Gerrit, waren bekende orgelbouwers en restaurateurs die werkzaamheden uitvoerden in onder meer Dordrecht, Gouda, Nijmegen en Culemborg. Voor Leerdam worden in latere jaren ook Jacob en Hendrik Kiespenninck genoemd, die in 1623 en 1625 nog herstelwerkzaamheden aan het orgel verrichtten. Het ging dus om erkende vaklieden met een brede praktijkervaring.

De status van het orgel en de zorg voor een vakkundige restauratie hangen mogelijk samen met de bijzondere herkomst ervan. In het handschrift van Arn. Buchelius, aangehaald in het 'dagboek van De Wit' (P.M. van Gent), wordt beschreven dat het orgel voorzien was van heraldische versieringen, waaronder het wapen van Egmond, gecombineerd met andere adellijke wapens. Deze duiden op een schenking door Maximiliaan van Egmond en Françoise de Lannoy, schoonouders van Anna van Egmond, de eerste echtgenote van prins Willem van Oranje. Het orgel had daarmee een directe verbinding met het Huis van Oranje, wat de hoge waardering in de stad kan verklaren.

Uit dezelfde beschrijving blijkt dat het orgel bovendien rijk gedecoreerd was, onder meer met een voorstelling van de harpspelende koning David, zoals vaker voorkomt op historische orgels. Bij de verkoop van het oude instrument zou dit beeld ook afzonderlijk vermeld worden.

Tot slot blijkt uit de stadsrekening van 1619 dat het orgel in dat jaar opnieuw werd geschilderd en verguld. Hoewel latere bronnen minder expliciet over vergulding spreken, is duidelijk dat het instrument door de eeuwen heen met zorg werd onderhouden en herhaaldelijk is aangepast aan de veranderende tijd en smaak.



Hoewel hierover geen sluitend archiefbewijs is gevonden, lijkt het erop dat de magistraat van Leerdam zich vanaf het begin het recht had toegeëigend om de organist te benoemen. Dit valt indirect af te leiden uit de kerkelijke verhoudingen in de stad, waarin de rol van het stadsbestuur een duidelijke invloed had op het kerkelijk leven.

De organist had in deze periode een veelzijdige taak. Hij begeleidde de koorzang (later de gemeentezang), speelde voor en na de kerkdiensten en bespeelde het orgel ook op andere momenten in de week. Er werden dus ook concerten gehouden!

In 1630 werd een grote reparatie aan het orgel uitgevoerd. Hoewel de kerkenraad het gebruik van het orgel als weinig stichtelijk en van geringe waarde bestempelde, had zij in de praktijk weinig zeggenschap over het gebruik ervan. 

Na de reparatie bleef het orgel echter voorlopig buiten gebruik. De oorzaak daarvan lag niet zozeer in technische problemen, maar in een bestuurlijk conflict over de benoeming van de organist. De magistraat claimde het benoemingsrecht, terwijl de graaf van Leerdam inmiddels de schoolmeester Samuel van der Leyden als organist had aangesteld. Hoewel de magistraat deze benoeming niet kon terugdraaien, kon zij het gebruik van het orgel wel vertragen en bemoeilijken. Uiteindelijk wendde de kerkenraad zich tot burgemeester-ouderling Adriaen Roelants met het verzoek te bemiddelen. De magistraat stelde daarop als voorwaarde dat Van der Leyden eerst haar toestemming moest vragen om het orgel te mogen bespelen. Na verloop van tijd werd een compromis bereikt en kon hij zijn werkzaamheden als organist hervatten.

Ook in de jaren 1653 en 1656 kwam de kwestie opnieuw aan de orde. De magistraat was ontevreden over het optreden van organist Johannes Rijser en verbood hem het bespelen van het orgel. De zaak escaleerde tot bij de Raad- en Rekenkamer van de prins. Tijdens een dienstreis van raadslid Pauw werd de kwestie onderzocht, waarna werd bepaald dat Rijser alsnog betaald diende te worden voor zijn eerdere werkzaamheden. De burgemeesters kregen opdracht zich naar deze uitspraak te voegen. Uiteindelijk werd een praktische oplossing gevonden: Paulus Pietersz. Vos, lid van de magistraat, nam het orgelspel op zich en vervulde deze taak gedurende langere tijd.

Omdat het orgel veel lucht nodig had, werd daarnaast ook een zogenoemde 'orgelblazer' of orgeltrapper betaald. Het stadsbestuur zag er immers op toe dat het orgel goed functioneerde en daadwerkelijk kon worden bespeeld.


Tussen 1713 tot zijn overlijden in 1731 was Antoine Klick organist van de Leerdamse gemeente, als opvolger van Claas Teerhuyse.  Zijn naam staat geschreven op het Culemborgse orgel in de St. Barbarakerk in 1720 dat hij beschilderde. Na zijn overlijden in 1731 wordt zijn (huis)orgel te koop aangeboden:


Amsterdamse Courant  25-12-1731









Klick werd als organist opgevolgd door Henricus van Lobbregt


Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het orgel in de loop van zijn geschiedenis is verplaatst. Volgens oudere gebruikstradities stond het oorspronkelijk aan de Epistel- of Evangeliezijde van het altaar, dus in het zuidertransept. Dit sluit aan bij de beschrijving van Buchelius, die het orgel situeert “in het koor aan de zuidzijde”.

Het was geen groot instrument, wat ook blijkt uit een mededeling uit 1850 waarin wordt opgemerkt dat het orgel te zwak van toon was. In de vroegere situatie was dat helemaal geen bezwaar, aangezien het orgel in eerste instantie slechts diende ter begeleiding van het koor. In de protestantse eredienst ontwikkelde het zich later tot begeleider van de gemeentezang, een taak waarvoor dit instrument oorspronkelijk niet ontworpen was. Toen in 1760 de behoefte aan sterkere ondersteuning van de gemeentezang toenam, achtte men het wenselijk het orgel te verplaatsen naar de westzijde bij de toren, in het schip van de kerk. 

In het dagboek van Abraham de Wit (1798-1848), timmerman in Leerdam, staat opgetekend:

"In dat selve jaar (1760) heb ik in de maand October de Wet, die in de kerk aan den toorn stond afgebrooken en in het oosten geplaatst en het orgel afgebrooken en aan de toorn geplaatst en dat had ik aangenomen voor 55 gulden, maar ik had reykelijk voor soo veel geld aan buytenwerk”.

Men verwachtte dat het instrument daar beter tot zijn recht zou komen en de zang krachtiger zou kunnen ondersteunen. Vooral na de invoering van de psalmberijming van 1773 kreeg het orgel een meer leidende in plaats van begeleidende functie.

Al vóór 1849 stond het orgel op een galerij of oxaal. In de notulen van de kerkvoogdij van de Grote Kerk wordt op 31 januari 1849 vermeld dat, door de toegenomen kerkgang en de verhuur van zitplaatsen, aanpassing van de banken onder het orgel noodzakelijk werd geacht om extra ruimte te creëren. Hoewel dit plan aanvankelijk niet werd uitgevoerd, besloot de kerkvoogdij op 31 december 1850 alsnog tot vernieuwing en verplaatsing van de banken.

Hieruit kan worden afgeleid dat het oude orgel zich toen al in de nabijheid van de laatste pilaren op een galerij moet hebben bevonden.


In 1846 verscheen in de krant een advertentie voor de vacature van organist. Het jaarlijkse salaris bedroeg 250 gulden. Kerkmeester P. Hoolboom benadrukte daarbij dat de kerkelijke gemeente van Leerdam veel waarde hechtte aan een organist die zich in de gemeente zou vestigen en deze functie kon combineren met het geven van muziekonderwijs op piano en andere instrumenten.




Opregte Haarlemsche Courant 18-6-1846






















Organist Jan Willem Nieuwenbosch moet toen naar Leerdam zijn gekomen. Vlak na zijn komst, rond 1850 werd besloten het verouderde en te zwakke orgel te vervangen door een geheel nieuw instrument. Er werd een advertentie in de krant geplaatst en orgelbouwers konden zich inschrijven:


Opregte Haarlemsche Courant 13-1-1851
 



















Nog voordat het nieuwe orgel zijn intrede deed, vertrok organist Nieuwenbosch naar Goor en was er weer een vacature:


Algemeen Handelsblad 21-6-1851
















Het oude kerkorgel werd te koop aangeboden:



Opregte Haarlemsche Courant 22-1-1853















De verkoop van het oude orgel verliep echter minder voorspoedig dan men aanvankelijk had verwacht. Op 18 maart 1853 stelde men de firma Bätz en Cie. (die het nieuwe orgel bouwde) voor het instrument over te nemen, maar het bod dat zij uitbrachten vonden de kerkmeesters veel te laag. Daarom besloot men het orgel openbaar te verkopen. Uiteindelijk werd het gekocht door H. van de Sluis voor een bedrag van f 210,-. 

Bekend is dat op het orgel een oude wijzerplaat aanwezig was en een beeld van David, die op een harp speelde. Helaas zijn er geen tekeningen bekend van dit oude orgel.



Het tweede orgel van Bätz-Witte, 1854-heden


Het idee voor een nieuw orgel kwam niet uit het niets. Al eerder, in de jaren veertig, was er contact geweest met orgelmaker C.F.A. Naber uit Deventer, die in verband met zijn werk in Rumpt belangstelling had voor het Leerdamse orgel en voorstellen deed tot aanpassing. De kerkvoogdij ging daar destijds niet op in, en latere verzoeken om vergoeding werden afgewezen.

Maar na het besluit van 1850 kwam het project snel op gang. In 1851 werden verschillende plannen beoordeeld en uiteindelijk werd de firma Bätz en Cie. uit Utrecht gevraagd een ontwerp en kostenbegroting te maken. Hun voorstel voor een nieuw orgel van 7.500 gulden, met twee klavieren en vrij pedaal, werd aanvaard, evenals de bijkomende kosten voor het oxaal en de afwerking van de kerk.

Het nieuwe Leerdamse orgel werd weliswaar gebouwd onder de naam van de firma Bätz en Cie., maar in de praktijk uitgevoerd door Christian Gottlieb Friedrich Witte (1802–1873), de opvolger van Bätz. Witte zette als leider van de werkplaats de traditie van de overleden orgelmaker voort, waardoor hij feitelijk verantwoordelijk was voor de bouw. Daarom wordt het orgel in de literatuur soms ook aan hem toegeschreven.

In de daaropvolgende jaren werd de inrichting van het oxaal verder uitgewerkt, waarbij uiteindelijk werd gekozen voor hardstenen zuilen. Op 14 oktober 1853 werd het verven van de orgelkast en het oxaal gegund aan B. van Middelkoop en in daggeld uitgevoerd. Het nieuwe orgel, voorzien van een nieuw oxaal met hardstenen kolommen en een fraai front, werd in 1854 voltooid en na een gunstig keuringsrapport van de heer Nieuwenhuyzen, waarin werd vastgesteld dat het instrument aan alle verwachtingen voldeed, goedgekeurd. 
Op 19 maart 1854 werd het orgel feestelijk in gebruik genomen met een kerkdienst en een bespeling door de organist.








De Leerdammer, 24-10-1891








In 1891 wordt het orgel gerestaureerd door de heer Johan Frederik Witte, zoon van de orgelmaker, van de firma Batz uit Utrecht.


Het jaar 1895 staat in het teken van bijzondere jubilea. Organist Johannes Henricus Mattheus van Bonzel (1835–1920) viert dat hij al veertig jaar de orgelklanken in de Leerdamse Hervormde Kerk verzorgt. Maar zijn lange staat van dienst wordt nog overtroffen door Jan Hartman, die dan al vijftig jaar als orgeltrapper het orgel van de nodige lucht voorziet. Ook deed hij dienst als klokkenluider. 



De Leerdammer, 19 juni 1895
De Leerdammer, 22 juni 1895




























Orgeltrapper Hartman zou het nog 10 jaar volhouden en droeg het stokje in 1905 over aan zijn zoon Barend (-1956):


De Leerdammer, 24 juni 1905









Ook organist Van Bonzel haalde zijn 60-jarig jubileum:


De Leerdammer, 5 januari 1916











































Na het overlijden van Van Bonzel (die uiteindelijk maar liefst 65 jaar als organist aan de kerk verbonden was gewees - tussen 1854 en 1920!) wordt op 1 april 1920 de heer Gerrit Akkerman (1880-1958) tot zijn opvolger benoemd.




De Leerdammer, 6 maart 1920















Als gevolg van schade door grote temperatuurswisselingen werd het orgel in 1940 gerestaureerd door de firma J.C. Sanders en Zn. uit Utrecht. Organist Gerrit Akkerman houdt toezicht tijdens deze restauratie.
 

Chr. soc. dagblad voor Nederland
De Amsterdammer 15-8-1940




















Gerrit Akkerman herdacht in 1952 zijn 40-jarig jubileum als kerkorganist. 



De Gecombineerde, 28 juni 1952




















Organist Akkerman overleed in 1958 en is dus 28 jaar organist geweest. 

Tussen 1958 en 1960 onderging de Grote Kerk een ingrijpende restauratie. Op 29 november 1960 kon het kerkgebouw weer in gebruik worden genomen, maar het zou nog ruim twee jaar duren voordat ook het orgel weer bespeeld kon worden. Het orgel werd afgebroken en de onderdelen werden opgeslagen in een niet gebruikte regentenkamer van het Hofje van mevrouw Van Aerden. 

Het Bätz-orgel werd in de periode 1959–1961 gerestaureerd door de firma Van Leeuwen uit Leiderdorp. Daarbij werd het instrument aangepast en uitgebreid tot een orgel met twee manualen en pedaal: een Hoofdwerk met 10 stemmen, een Bovenwerk met 8 stemmen en een pedaal met 4 stemmen.


De heer J. van Rossum werd de nieuwe organist van de Leerdamse Grote Kerk. 



In latere jaren '80 deden zich opnieuw technische problemen voor, waardoor een restauratie noodzakelijk werd geacht. De uitvoering daarvan werd echter uitgesteld in verband met de benodigde fondsenwerving. Het orgel werd in 1996–1997 gerestaureerd door Pels & Van Leeuwen uit ’s-Hertogenbosch. Tijdens deze restauratie zijn de wijzigingen uit de periode 1959–1961 grotendeels ongedaan gemaakt, met als doel het orgel dichter bij de eerdere klankopzet te brengen. Op 22 februari 1997 werd het instrument opnieuw in gebruik genomen.




Bronnen: 
  • Berg, R. van den, 'Een stukje geschiedenis van het orgel in de Ned. Hervormde Kerk van Leerdam', jrg. 5 (3 en 4) via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 24-1-2026. 
  • De Gecombineerde, 'Orgel in Grote Kerk speelt weer', 20 april 1963, pag. 2. 
  • Dijk, ds. H. (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 15.
  • https://kerk-en-orgel.nl/record.php?action=display&id=4255, geraadpleegd 14-6-2026.