5 juli 2026

De korenmolen aan de Westwal (1712-1921)

 

































Eeuwenlang vormde de korenmolen op de hoek van de Westwal en Noordwal een vertrouwd onderdeel van het stadsbeeld van Leerdam. De molen was waarschijnlijk de oudste in de regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. 

De molen was lange tijd eigendom van de prinsen van Oranje in hun hoedanigheid als graven van Leerdam, later kwam hij in bezit van de Kroondomeinen, en begin 20e eeuw ging de molen over naar particuliere eigenaren. Hieronder meer over de geschiedenis van Leerdams grootste, maar inmiddels verdwenen korenmolen. 


__________________________________________________________________


De eerste standerdmolen 


Fragment van een kaart van
Joan Bleau (1648)
Al vóór de 17e eeuw werd op de hoek van de Noord- en Westwal graan gemalen. De molen stond achter een rondeel op de noordwesthoek van de stad. Eigenlijk was de zuidwesthoek gunstiger, omdat de wind daar vrijer spel had. Die plek werd echter al ingenomen door het kasteel. Daarom kreeg de molen een plaats op de noordwesthoek. Om hem daar te kunnen bouwen, werd de stadswal verbreed en opgeworpen tot een molenterp. (Janik, p. 86; Haagsman, p. 299)

Dat Leerdam al vroeg over een stadsmolen beschikte, blijkt uit verschillende historische bronnen. Het molenrecht wordt al genoemd in het stadsrecht dat de Hollandse graaf Willem VI in 1407 aan Leerdam verleende (Blom, p. 21). Ook een rekening van Jan van Lesanen uit 1466 en een handvest van Catharijn van Gelre uit 1478 maken melding van de molen (Janik, p. 86).





Rond een molen moest voldoende vrije ruimte blijven, want de draaiende wieken konden levensgevaarlijk zijn. De korenmolen stond bovendien aan de rand van de stad, tussen de stadsmuur en de vesting. Daardoor was het een afgelegen plek, die vooral 's nachts donker en verlaten was. 

Dat blijkt uit een gebeurtenis in de nacht van 7 juli 1596. Buurtbewoners werden gewekt door het hulpgeroep van een vrouw die bij de molen werd aangerand door de broer van de molenaarsknecht. De dader werd veroordeeld tot het betalen van 300 gulden schadevergoeding aan het slachtoffer, naast de proceskosten. (Haagsman, p. 302; Grabowsky, RA 1590–1602)


Een wind-korenmolen, 1857-1864,
prentmaker drukker Emrik & Binger
uitgever A.C. Kruseman
RP-P-OB-28.216, collectie Rijksmuseum   

De molen was een standerdmolen. Dat betekent dat niet alleen de wieken draaien, maar dat het hele molenhuis kan meedraaien om de wieken precies op de wind te zetten. De complete houten kast van de molen rust daarbij op één centrale spil, die al het gewicht moet dragen. Dat is een indrukwekkende constructie, maar ook een kwetsbare. Geen wonder dus dat een molen kostbaar is om te bouwen en veel onderhoud nodig heeft om veilig en goed te blijven werken. (Haagsman, p. 300)











Archiefstukken laten zien dat de molen inderdaad regelmatig onderhoud nodig had. Houten onderdelen sleten door weer en wind, de kap moest worden gedekt, de roeden en wieken vergden herstel en ook de maalstenen moesten periodiek worden bijgewerkt of vervangen. Soms werden complete onderdelen vernieuwd. De uitgaven hiervoor konden hoog oplopen. De overheid hield toezicht op het functioneren van de molen. Bij klachten of achterstallig onderhoud werden onderzoeken ingesteld. (V.d. Berg)

Historicus Dick Haagsman beschrijft dat de pacht van de molen in 1609 ongeveer 324 gulden per jaar bedroeg. In 1645 was dat opgelopen tot bijna 440 gulden, plus nog eens bijna 12 gulden voor “slijtage” van de molen. Daar stonden wel vaste inkomsten tegenover. De molenaar verdiende aan het malen van graan. Op basis van de gebruikelijke maalkosten en de uitgaven voor zijn bedrijf, zijn eigen levensonderhoud en dat van zijn knecht, kan worden geschat dat hij jaarlijks minstens zo’n 5.100 zakken graan moest malen om rond te komen. Dat komt neer op gemiddeld ongeveer zeventien zakken per dag, samen goed voor ruim duizend kilo graan. Om die hoeveelheid te verwerken, zal vaak meer dan tien uur per dag moeten zijn gewerkt. Met deze productie leverde de molen genoeg meel om de huishoudens van Leerdam van brood te voorzien. Over al het gemalen graan hief de prins bovendien een belasting, het zogenoemde gemaal. (Haagsman, p. 301)

Naast de korenmolen bevond zich van oudsher de grut- of rosmolen. Deze molen werd niet door wind aangedreven, maar door een paard dat de maalstenen in beweging bracht. Zo kon er ook tijdens perioden zonder wind worden gemalen.


De graaf van Leerdam laat telkens verbeteringen aanbrengen aan de molen. In 1620 verdienen Gijsbert Gerritszn. en Jan Cornelis Stam samen 276 gulden aan de molen. (Janik, p. 87; V.d. Berg, p. 103) 

In 1621 werd voor f. 160 een nieuw kamrad geplaatst en een jaar later werd voor f. 430 een nieuw wiekenkruis aangebracht. (Janik, p. 87; V.d. Berg, p. 103) 

In 1624 blijkt uit de archieven dat het volledige houten molenhuis moest worden vernieuwd. Het bestaande gebouw verkeerde toen al in slechte staat en moet dus al op leeftijd zijn geweest. Na een openbare aanbesteding werd het werk voor f. 940 gegund aan Adrianus Meertenszn. van Rossum en Jan Corneliszn. Stam. De molen werd nu in steen opgetrokken. (Janik, p. 87)

De nieuwe loper- en leggerstenen voor de nieuwe wind- en rosmolen werden door de rentmeester zelf in Dordrecht gekocht op 24 juni 1627. Hij bracht hiervoor 4 gulden reiskosten in rekening. (V.d. Berg, p. 103) 

Het vervoer van de molenstenen is gedocumenteerd in bewaarde rekeningen. In Dordrecht werden de stenen met een kraan in een schip geladen. Eenmaal aangekomen in Leerdam werden ze met veel moeite uit het schip getakeld en op sleden geplaatst. De glijijzers van de sleden werden met een vette lap gesmeerd, zodat de zware stenen gemakkelijker naar de molen konden worden geschoven. Bij de molen werden de oude, versleten stenen verwijderd. Tegelijkertijd werden de funderingen gecontroleerd en verstevigd. Ook de grote spil van de korenmolen werd vernieuwd. Bij de rosmolen werden het drijfwerk en de constructie nagezien en waar nodig verzwaard. Nadat de nieuwe stenen waren geplaatst, maakte de timmerman een nieuwe houten kuip om de molenstenen. (V.d. Berg, p. 106)

De molenreparatie kostte 460 gulden en samen met de verbouwing had het 1400 gulden gekost. Een commissie an onderzoek ('priserig') was dan ook geen overbodige luxe. In 1627 kregen Cornelis de Bruijn en Cornelis Janszn. Plattander als timmerlieden en Meijndert Janszn. van Turenhout als metselaar de opdracht te controleren of de werkzaamheden volgens bestek waren uitgevoerd. Ze kregen hiervoor daggeld van 1 gulden per persoon uitbetaald. (Van den Berg p. 106; Janik p. 86-87)


Wellicht is bij deze molenrenovatie de wapensteen geplaatst in de molen. Deze wapensteen is inmiddels grotendeels onleesbaar geworden. De steen zou ingemetseld zijn geweest in de latere Molenburcht maar daar inmiddels verwijderd en in de gemeentelijke erfgoedcollectie opgenomen.


Gevelsteen in de molen 
Foto: maart 1988, G.J. Dukker, doc.nr. 268.390
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed




 



























Leerdamse amateurhistorici hebben zich vaak verdiept in de (half verdwenen) tekst. Van Reinier van den Berg (1910-1989) is de volgende plausibele gedeeltelijke tekstverklaring:

De Gecombineerde, 7 juli 1979





















De reactie van Van den Berg volgde op een column van 30 juni 1979 van columnist 'Habitant', die had geschreven over de molenstomp met de ingemetselde steen. 

Van den Berg beargumenteert dat het wapen werd aangebracht in 1624 (toen de molen in steen werd opgetrokken) en dat het wapen van een graaf of hertog Van Gelre zal zijn. (V.d. Berg, 106)

Blom beschrijft de opvallende overeenkomsten met het wapen van de Gorcumse familie Deijm. De relatie tussen de molen en deze familie is alleen (nog) onbekend. (Blom, p. 34)


Het wapen van de familie Deijm,
bron: CBG











Ook na de renovatie van 1624 bleef de molen onderhoud vragen. In 1634 en 1640 werden opnieuw reparaties uitgevoerd, met een kostenpost van 400 gulden. In 1647 moest een nieuwe molensteen worden geplaatst, omdat de oude in drie stukken was gebroken. Deze vervanging kostte 500 gulden. (V.d Berg, p. 106)

De pacht van de molen lag dan ook op een aanzienlijk bedrag. In 1621 bedroeg de jaarlijkse pacht nog 950 gulden, maar in 1642 was dit bedrag al gestegen tot 1.250 gulden. (V.d. Berg, p. 106)


In de periode 1620-1650 zijn er 6 molenaars bekend: Hugo van de Velden (die ook schout was), Cornelis Arienszn. Coot, Gijsbert Corneliszn., Lambert Arienszn., Cornelis Janszn. uit Heukelum en Herman Willemszn, die de molen driemaal achter elkaar pachtte. (V.d Berg, p. 106)


Vanaf 1654 gold het ‘recht van dwang’ in het graafschap, waardoor inwoners van Leerdam en Acquoy verplicht waren hun koren en graan op de dwangmolen te laten malen, op straffe van boete en arbitraire correctie. (Blom, p. 22). Dit zou duren tot aan de afschaffing van de 'heerlijke rechten' in de Franse tijd. 

In 1673 bleek dat de molen schade had opgelopen. Door de oorlog en langdurige stilstand was een belangrijke balk in de constructie, de zogenoemde steenbalk, gaan rotten. Die moest worden vervangen, wat destijds een kostenpost van 38 gulden betekende. (Janik, p. 87) 


De tweede korenmolen

Enkele decennia later, in 1711, werd duidelijk dat de oude standerdmolen opnieuw ernstige gebreken vertoonde. De rentmeester kreeg de opdracht te onderzoeken of reparatie nog zinvol was, of dat er beter een geheel nieuwe molen kon worden gebouwd. Al snel werd duidelijk dat vernieuwen de beste optie was. Er werd daarom een bestek opgesteld voor de bouw van een stenen korenmolen, uitgerust met één of twee koppels maalstenen. Interessant detail: in dit plan mocht de aannemer bruikbare onderdelen van de oude molen hergebruiken in de nieuwe constructie. De oude molen bleef dus niet volledig verloren, maar werd deels “gerecycled” in de nieuwbouw. (Janik, p. 87)

De nieuwe molen zou op exact dezelfde plek verrijzen als de oude. Dat betekende wel dat de bestaande standerdmolen eerst volledig moest worden gesloopt. Enkele jaren later, in het definitieve bestek van 1712, werd het plan nog ambitieuzer: het aantal koppels maalstenen werd uitgebreid naar drie, waardoor de molen een grotere capaciteit kreeg. De uitvoering kwam uiteindelijk in handen van de Dordtse molenmaker Pluijm, die bekendstond als een vakbekwame bouwer. Onder zijn leiding werd de oude molen vervangen door een grote stenen korenmolen. (Janik, p. 87) 



Het malen in de molen leverde de nodige inkomsten op, maar daar stonden ook allerlei kosten en verplichtingen tegenover: onderhoud, kleine reparaties en het draaiend houden van de molen kwamen grotendeels voor rekening van de molenaar.

In 1777, wordt dat nog duidelijker zichtbaar in de pachtvoorwaarden. De molen werd toen voor zes jaar verhuurd aan Maarten Bogaardt, tegen een jaarlijkse pacht van maar liefst 1.960 gulden. Dat was een zeer hoge vaste last. Daarbovenop moest de molenaar zelf zorgen voor het dagelijkse onderhoud van de molen. Alleen grotere structurele vernieuwingen - zoals het vervangen van binnen- en buitenwerk - kwamen voor rekening van de eigenaar, de prins van Oranje, die ook het windrecht bezat. (Janik, p. 87) 


Ets. Prentmaker: Philippus van der Schley, naar tekening van: Jan de Beijer,
ca. 1739-1817, objectnr. RP-P-AO-14-106, collectie Rijksmuseum














Tekening: Jan de Beijer, kopergravure gedrukt door Hendrik Spilman,
gepubliceerd in 
"Het verheerlykt Nederland" rond 1750.





























Het dagelijks beheer was in handen van een rentmeester, die de molen verpachtte (meestal telkens voor drie jaren, al was dit ook weleens twaalf jaar), de pacht inde en toezicht hield op zowel het onderhoud als de naleving van de pachtvoorwaarden. De molenaar was daarmee niet de eigenaar, maar de exploitant van de molen. Hij betaalde jaarlijks een aanzienlijke pachtsom en was verantwoordelijk voor het dagelijkse onderhoud en de bedrijfsvoering, terwijl de kosten van grote reparaties doorgaans door het graafschap of de Domeinen werden gedragen. 

Deze organisatie onderstreept het grote belang van de molen voor de voedselvoorziening en de lokale economie van Leerdam.

In de praktijk draaide de korenmolen in Leerdam niet alleen op wind, maar ook op een duidelijk geregeld economisch systeem tussen molenaar en lokale gebruikers. Zo betaalden de bakkers hun maalrecht vaak niet met geld, maar in natura: zij leverden dus een deel van het graan of meel als betaling. De brouwers daarentegen betaalden een vast bedrag per zak, namelijk 2,5 stuiver. (Janik, p. 87)

Ook de vier grutters in Leerdam hadden aparte afspraken met de molenpachter. Zij betaalden elk 186 gulden per jaar en kregen daarvoor het recht om onbeperkt grutten en boekweit aan te voeren en te laten malen. Daartegenover stonden verplichtingen voor de molenaar. Hij moest het aangeleverde graan malen zodra er minstens zes zakken tegelijk werden aangeboden. Bij windstil weer moest hij hij dan gebruikmaken van de rosmolen. In dat geval moesten de klanten zelf de paarden leveren. (Janik, p. 87)

Zoals eerder genoemd: naast de korenmolen stond van oudsher de grut- of rosmolen; een molen waarbij de aandrijvingskracht werd geleverd door een paard zodat er bij langdurige windstilte toch kon worden gemalen. In 1770 wordt deze rosmolen herbouwd (Molendatabase). 

Meer info over deze rosmolen vind je in deze blog

's Gravenhaegse Courant 27-2-1750






Rotterdamse Courant 12-5-1770





Teunis Blom beschrijft in De molens van Leerdam (2013) hoe in 1771 graaf Willem V de voorwaarden vastlegde voor de pacht van de zogenoemde dwang-wind-en-ros-korenmolen van Leerdam. Deze voorwaarden werden bekendgemaakt aan de inwoners van de stad en het graafschap Leerdam en de baronie Acquoy.

Een dwangmolen betekende dat inwoners verplicht waren hun graan op deze molen te laten malen. Alleen met toestemming van de molenaar mocht men elders laten malen. Ook voor bakkers en bierbrouwers golden duidelijke regels. Zo mochten bakkers niet meer dan twee schepels graan (volgens de Gorinchemse maat) tegelijk aanleveren. Het gewicht van het graan kon zowel vóór als na het malen worden gecontroleerd.

De molenaar kreeg als vergoeding voor het malen onder meer recht op zogenoemd stuifmeel: twee pond per zak graan. Dit was een deel van het gemalen product dat als maalloon aan de molenaar toekwam. Bierbrouwers leverden echter steeds grotere zakken aan, waardoor de vergoeding voor de molenaar ongunstig uitviel. Daarom werden twee standaardzakken vastgesteld: één werd bewaard bij de rentmeester en één bij de molenaar. Deze dienden voortaan als maatstaf. Voor elke zak betaalden de brouwers 2½ stuiver.

De regels gingen ook verder dan alleen het malen zelf. Wie graan buiten het graafschap liet malen zonder toestemming van de molenaar, riskeerde een boete van vijftig gulden per zak. Ook voor het verkopen van brood dat buiten het gebied was gebakken, moest een vergoeding worden betaald. Overtredingen werden streng bestraft; de opbrengst van de boetes werd verdeeld tussen de molenaar en het graafschap.

Boeren van buiten de stad kregen vaste momenten toegewezen om hun graan te laten malen: de donderdag en de zaterdag. Op deze dagen hadden zij voorrang boven de inwoners van Leerdam. Daarnaast golden er regels voor het gedrag rond de molen. Zo was het verboden om bij de molen tabak te roken of er bijeenkomsten met drankgebruik te houden. Overtreders kregen een boete van 30 stuivers; wanneer de overtreding na zonsondergang of ’s nachts plaatsvond, werd dit bedrag verdubbeld. De opbrengst van deze boetes kwam ten goede aan de armenzorg van de diaconie. De molenaar was persoonlijk verantwoordelijk voor het innen en afdragen van de boetes. (Blom, p. 23)


In 1779 kreeg de korenmolen een nieuwe molenaarswoning. De oude woning was inmiddels gesloopt en de vrijkomende materialen waren verkocht. Een nieuwe woning bleek noodzakelijk, omdat potentiële molenaars de molen alleen wilden pachten als er ook een woonhuis beschikbaar was. Wonen en werken waren immers onlosmakelijk met elkaar verbonden: de molenaar moest op elk moment kunnen inspelen op gunstige wind en daarom dicht bij de molen wonen. Doordat de korenmolen een hoge stellingmolen was, kon de nieuwe molenaarswoning direct tegen de molen worden gebouwd. (Janik, p. 87)

De pacht bedroeg in 1804 2.000 gulden voor twaalf jaar lang. (Blom, p. 24)



Leydse Courant 14-3-1804




Oprechte Haarlemse courant 17-3-1804





Journal du département des bouches de la Meuse
(Dagblad van het departement der monden van de Maas)
9-1-1812
Journal du département des bouches de la Meuse
(Dagblad van het departement der monden van de Maas)
30-8-1812










In 1814 krijgt de korenmolen een nieuwe bovenas, geleverd door de bekende firma Varsseveld. Bastiaan de Groot is op dat moment de molenpachter. (Janik, p. 87)



Nederlandsche staatscourant 15-5-1816







Opregte Haarlemsche Courant 28-9-1819





Rond 1819-1820 wordt de molen gepacht door Paulus Arij Huijzer, voor f. 1300 per jaar.

Mogelijk was dit Poulus Arij Huijsers (1779-1848), geboren in Klundert en overleden te Willemstad. Via zijn moeder stamde hij af van de familie Van der Made, een bekende houthandelaarsfamilie. Hij was een achterneef van de opa van Adrianus Johannes Burgers, de latere directeur van de Leerdamse houthandel Varsseveld. 



Nederlandsche Staatscourant 19-5-1820






Nederlandsche staatscourant 11-3-1824
Nederlandsche staatscourant 29-3-1824













Op zaterdag 16 april 1825 om 11.00 uur ’s ochtends wordt er in Leerdam een openbare aanbesteding gehouden voor een grote reparatie aan de korenmolen in Leerdam. De werkzaamheden omvatten timmer-, smids-, metsel- en steenhouwerswerk.

De aanbesteding wordt georganiseerd door de Ontvanger der Domeinen uit Vianen en vindt plaats ten huize van C. Wiggelinkhuijzen in Leerdam, in aanwezigheid van notaris F. van den Berg Pzn.

Op dezelfde dag wordt ook de rosmolen in Leerdam verkocht, met de bedoeling deze te slopen.



Utrechtsche Courant 8-4-1825



Nederlandsche Staatscourant 13-4-1827





Utrechts volksblad 4-4-1827








Willem Pernis, ontvanger der Domeinen te Vianen, besteedde namens de Maatschappij voor Volksvlijt te Brussel de omvangrijke reparatie van de korenmolen te Leerdam aan, waaronder vernieuwing van de staart, balken, ijzerwerk, metselwerk en een molensteen; het werk werd gegund aan koopman Willem van Eyk uit Vianen voor f 758,-.  (K. van Baren)


Op donderdag 27 april 1830 om 10.00 uur wordt er opnieuw een openbare aanbesteding gehouden in Leerdam, ten huize en herberg van C. Wiggelinkhuizen.

In opdracht van de Ontvanger der Domeinen wordt het volgende werk uitbesteed:

  • het bouwen of plaatsen van een molenaarswoning in de korenwindmolen te Leerdam
  • het verbouwen van de bestaande rosmolen tot een wagenschuur
  • én het leveren van alle benodigde materialen daarvoor

De aanbesteding gebeurt “aan de minst aannemende” (dus aan de inschrijver die het werk voor de laagste prijs wil uitvoeren), onder toezicht van notaris F. van den Berg uit Vianen.

Het bestek (de beschrijving van het werk en de voorwaarden) ligt acht dagen vooraf ter inzage bij C. Wiggelinkhuizen in Leerdam, zodat geïnteresseerden het kunnen bekijken.


Arnhemsche Courant 22-5-1830
Opregte Haarlemsche Courant 26-6-1830

















De molenaar werkte niet alleen. Hij had een molenaarsknecht in dienst en verrichtte daarnaast allerlei werkzaamheden die met het malen van graan samenhingen. Boeren brachten hun graan naar de molen, waar het werd gewogen en gemalen. Bakkers en brouwers behoorden tot de vaste klanten. 

Het werk verliep volgens nauwkeurige regels. Voor het wegen, de hoeveelheid meel en de betaling golden vaste afspraken, die regelmatig aanleiding gaven tot discussies wanneer klanten meenden te weinig meel terug te krijgen of te veel moesten betalen. (V.d. Berg)

Op de windmolen werd daarnaast één dag per week run gemalen voor de leerlooierijen. (Molendatabase) Run is fijngemalen eikenschors, die rijk is aan looistoffen. Het poeder werd gebruikt door leerlooiers om dierenhuiden te bewerken tot leer. 



Opregte Haarlemsche Courant 20-3-1838
Opregte Haarlemsche Courant 26-6-1830



Opregte Haarlemsche Courant 20-11-1838
Nederlandsche staatscourant 2-2-1841













In 1841 tekende de molenaar protest aan bij de regering tegen de voorschriften rond de accijns op het gemaal. Deze belasting ging gepaard met strenge controles en een omvangrijke administratie, waar veel molenaars zich tegen verzetten


Opregte Haarlemsche Courant 22-4-1841
Opregte Haarlemsche Courant 14-5-1842













Aan de molen waren uitgebreide pachtvoorwaarden verbonden. Daarin stond niet alleen hoeveel pacht betaald moest worden, maar ook hoe de molenaar zich hoorde te gedragen. Hij moest de molen zorgvuldig onderhouden, eerlijk wegen, voldoende malen en zijn klanten gelijk behandelen. Daarnaast golden regels over brandveiligheid, het houden van vee, het schenken van drank en zelfs over het aannemen van personeel. Deze voorwaarden moesten misbruik voorkomen en ervoor zorgen dat de molen zijn belangrijke functie voor de gemeenschap kon blijven vervullen. (V.d Berg)

In de 19e eeuw werd de korenmolen enige tijd bemand door Antonie Cornelis Gerardus de Heus (1803–1869). Hij werd geboren in Wijk bij Duurstede, uit een korenmolenaarsgeslacht. Een achterkleinzoon van zijn broer stichtte later het bedrijf Graan- en Meelhandel H.A. de Heus, wat later De Heus Voeders werd. 

Antonie was gehuwd met Maria van Lakerveld uit Ameide. Nadat hij als korenmolenaarsknecht in Heukelum had gewerkt, vestigde hij zich rond 1832 als korenmolenaar in Leerdam.


Molenaar in de korenmolen van Wijk bij Duurstede
vult een zak meel. Ets van Willem Witsen, ca 1908, 
collectie Rijksmuseum































Opregte Haarlemsche Courant 15-2-1853
Opregte Haarlemsche Courant 4-7-1859





Opregte Haarlemsche Courant 5-4-1861
Opregte Haarlemsche Courant 30-5-1863







De Heus keerde terug naar Heukelum waar zijn zoon molenaar was. Op 30 september 1869 overleed Antonie de Heus daar op 66-jarige leeftijd.


Ondertussen, vanaf 1862, was Jielis/Jilles Kon (1833–1914) de nieuwe huurder van de molen. Jilles Kon was landbouwer in Lakerveld bij Lexmond, geboren in Groot-Ammers en gehuwd met Geertje Oosterom (1835–1907). 

Toen Jilles' vader Adriaan in 1851 op 45-jarige leeftijd om het leven kwam na een gewelddadig incident met zijn zwager, werd hierover uitgebreid bericht in de regionale en  landelijke pers. (Algemeen Handelsblad 17-2-1851). Jilles was de oudste zoon.

Bekend is dat Jilles Kon 430 gulden pacht betaalde voor het jaar 1884. Daarnaast huurde hij ook een perceel weiland. (Blom, p. 28)

Hij bleef naast molenaar ook boer; hij hield varkens en koeien in de schuur naast de molen.




Algemeen Handelsblad 6 en 8-9-1866
Algemeen Handelsblad 24 en 26-10-1866







Nieuwe Gorinchemsche Courant 22-7-1874








Het nieuws van den dag 21-3-1887
Het nieuws van de dag 30-7-1896





















In 1889 kreeg Kon vergunning om in een schuur op de hoek van de Westwal en de Bergstraat een gasmotor te plaatsen voor het malen van graan en veevoeder. (Blom, p. 28)


In 1910 werd een wiek van de molen getroffen door bliksem waarna een ijzeren ketting, tientallen ruiten en planken kapot gingen. 


De Leerdammer, 30-10-1907
De Leerdammer, 2-11-1910

 












Deze foto dateert van rond 1910-1912, gemaakt door fotograaf G.J. Exaltus
(foto via Peter van Rooden, Facebook-pagina Oud-Leerdam)






























Nicolaas Syvert Bastert (1854-1939) schilderde rond 1912
dit stadsgezicht van Leerdam


















De Leerdammer, 10-9-1913











In 1914 werd Adrianus Kon (1864-1927), de zoon van Jilles Kon, officieel eigenaar van de molen. Het Kroondomein verkoopt hem de windkorenmolen voor f. 6.000,-. 

Ook Adrianus' oudste zoon Jieles Kon (1897-1953) hielp mee in het bedrijf. Deze zou later molenaar in Asperen worden en jongste zoon Jan Adrianus Kon (1913-1961) zou hem opvolgen op de molen in Leerdam. 


Algemeen Handelsblad 4-1-1914




Nederlandsche staatscourant 10-3-1914, zie voor pagina 2 deze link

























Een foto van na 1890 (rond die tijd werd het blok huis links gerealiseerd voor de glasfabriek)
Op oude foto's zien we dat de molen aan de noord-westkant wit lijkt.
Wellicht was deze kant behandeld met tras om de molen te beschermen tegen vocht.














Op deze foto uit circa 1920 staat links, vóór het paard, Jan Adrianus (Jan) Kon (1913–1961).
Hij was de jongste zoon van molenaar Jielis Kon en was op het moment van de opname
ongeveer 6 of 7 jaar oud. Links zou zijn zus Geertje (1904-1986) kunnen zijn, met rechts
broer Jieles (1897-1953) en zus Dirkje Maria (1902-1974).
Jieles jr. werd molenaar van 'De Haas' in Asperen. 
Bron foto: Wim van der Vegt, Facebook Oud-Leerdam

































De Leerdammer, 17 februari 1917















Rond het begin van de jaren 1920 traden nieuwe landelijke regels uit de Arbeidswet en het Arbeidsbesluit in werking. Deze waren bedoeld om de arbeidsomstandigheden van werknemers te verbeteren door werktijden en rusttijden wettelijk vast te leggen. Voor windmolens hadden deze regels echter ingrijpende gevolgen.

Een windmolen is afhankelijk van de wind en moet kunnen draaien wanneer de omstandigheden gunstig zijn. De nieuwe wetgeving verplichtte molenaars echter om de werktijden van hun personeel vooraf vast te leggen. Daardoor kon niet altijd worden gemalen op de momenten dat er voldoende wind was. Een molen kan onverwacht moeten draaien wanneer er wind opsteekt, ook buiten de vastgestelde werktijden. Zodra een molen bovendien was uitgerust met een hulpmotor om ook zonder wind te kunnen malen, vielen de werkzaamheden onder dezelfde strenge arbeidsvoorschriften.

Hierdoor werd het steeds moeilijker om een windmolen rendabel uitsluitend op windkracht te exploiteren. Veel molenaars zagen zich daarom genoodzaakt over te stappen op motoraandrijving, waardoor de traditionele windmolen zijn economische functie dreigde te verliezen.

De gevolgen van deze regelgeving leidden zelfs tot politieke discussie in de Tweede Kamer. Daarbij werd de gedeeltelijke ontmanteling van de molen in Leerdam aangehaald als voorbeeld van de onbedoelde gevolgen van de Arbeidswet.

Ook molenaar Kon gaf aan zijn windmolen graag te willen behouden, mits de regelgeving zou worden aangepast. 

Men vreesde dat de bestaande bepalingen het voortbestaan van de traditionele windmolen onmogelijk maakten. Zonder aanpassing van de wet zouden steeds meer molenaars overstappen op motoren, waardoor een belangrijk onderdeel van het Nederlandse erfgoed in hoog tempo zou verdwijnen.


De Katholieke Illustratie  jrg 56, 1921-1922,
no. 17, 18-01-1922






































Het Vaderland 13-1-1922
Nieuwsblad van Friesland 17-1-1922
























De "molen van Kon", zoals de Leerdammers de molen al jaren noemden, wordt in 1922 onttakeld: de kap, wieken en stelling werden verwijderd, waardoor alleen de stenen romp overbleef.



Nieuwe Gorinchemse Courant 25-1-1922
Arnhemsche Courant 10-3-1922








Rotterdamsche Courant 10-6-1922





Rotterdamsche Courant 24-12-1921





























Nieuwe Rotterdamsche Courant 10-7-1923
Alg. Handelsblad 19-3-1926










































De molenstomp.














Groot-Rotterdam; geïllustreerd weekblad voor Zuid-Holland
en Zeeland, jrg 8, 1930, no. 48, 14-02-1930
 










































In de molen wordt nu met een motor gemalen. Molenaar Kon hield daarnaast ook nog koeien, naast de molen bevonden zich een stal en de hooischuur. (Blom, p. 29)

In 1937 nam de jongste zoon, Jan Kon, de graanhandel officieel over van zijn moeder. Zij had het bedrijf na het overlijden van haar echtgenoot in 1927, als weduwe voortgezet.


De 5 Rivieren 4-5-1937





De Vijfheerenlanden, 3-2-1937
De Vijfheerenlanden, 23-2-1938








In 1943 waren er nog plannen om de molen te herstellen. Burgemeester Van Leer nam hiervoor het initiatief: hij richtte een fonds op, waarna een comité werd gevormd en geld werd ingezameld. Ondanks deze inspanningen kwam het herstel uiteindelijk niet van de grond.


Dagblad van Rotterdam 23-7-1943
Algemeen Handelsblad 28-7-1943














Tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden de families Jieles en Jan Kon in de korenmolens van Asperen en Leerdam een schuilplaats hebben geboden aan elf joodse onderduikers. (Cor Groen in De Volkskrant, 24 mei 1995). Als teken van zijn dankbaarheid liet een van hen, A.F.C. Cohen, twee bomen planten in het Joop Westerweel-woud in Israël. (Blom, p. 119)


In 1952 werd de molenromp gedeeltelijk afgebroken tot ongeveer baliehoogte. 

Allerlei bestemmingen kreeg de romp en de naastgelegen ruimte: 


De Gecombineerde, 12-6-1952
De Gecombineerde, 16-6-1956













In De Gecombineerde van 16 februari 1979 blikt oud-inwoner Hendrik Jan de Swart (1912–1978) terug op zijn jeugd en herinnert zich het spelen rond de korenmolen. Molenaar Adriaan, "groot en vlezig, zwaar van vuist en luid van stem", had het niet zo op spelende kinderen rondom de molen. Maar van zoon Jielis mochten kinderen op de schuur in de Noordwal 'hooitrappen'. 



In februari 1982 zijn in De Gecombineerde de plannen voor de stadsvernieuwing van de binnenstad te lezen. Het college van burgemeester en wethouders reageerde op de voorstellen van de stuurgroep stadsvernieuwing en sprak zich uit over de toekomst van de molenstomp aan de Westwal. Vanwege de historische betekenis en het karakter van het gebouw vond het college, net als de stuurgroep, dat de restanten van de molen behouden moesten blijven. Met het handhaven van de molenstomp kon de verbetering van de Westwal, die het jaar daarvoor was begonnen, worden voortgezet. Daarbij moest wel rekening worden gehouden met de geplande reconstructie van de brug bij de kruising van de Westwal en de Meent.


Rond 1982 maakt Eduard Woudenberg (1931-2022) de 'molen van Kon' zorgvuldig na in miniatuur, met zo'n 30.000 lucifers, zo zien we in De Gecombineerde van 24 juni 1982. 


In De Gecombineerde van 21 maart 1986 wordt gemeld dat de molenstomp aan de Leerdamse Westwal een nieuw dak kreeg. De oorspronkelijke natuurstenen leien werden verwijderd en het dak werd hersteld. Vervolgens werden ze vervangen door bitumineuze leien: machinaal vervaardigde dakleien op rubberbasis. De vernieuwing van het dak was noodzakelijk omdat de oude dakbedekking in slechte staat verkeerde. Regenwater drong de molenstomp binnen en regelmatig raakten leien los, die op straat vielen en zo een gevaarlijke situatie veroorzaakten.


In een makelaarsadvertentie in De Gecombineerde van 1 juli 1988 worden de molenstomp met bijgebouw, het herenhuis en de schuren (Westwal 30-32) te koop aangeboden. Eind 1988 wordt alleen het herenhuis met de aangebouwde bedrijfsruimte aangeboden




De molenstomp










Schuur naast molenrestant, maart 1988.
Foto: G.J. Dukker, doc.nr. 268.391
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed
De molenromp in maart 1988.
Foto: G.J. Dukker, doc.nr. 268.389
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed 



1996




























Dan volgt het definitieve einde van de korenmolen.

Het laatste restant van de romp werd op 8 maart 1999 met de grond gelijk gemaakt en vervangen door een gemetselde nep-romp als herinnering aan de oorspronkelijke molen. 

De naam van appartementencomplex "Molenburcht" - in 2000 gerealiseerd door aannemingsbedrijf Piet van Meeuwen bv uit Rumpt - herinnert nog steeds aan de oude korenmolen. 

Al snel verloor het penthouse aan glans: de stuclaag van de gevel laat los door problemen met de gevelafwerking. Daardoor zullen sommige Leerdammers met enige weemoed terugdenken aan het authentieke restant van de oude molen dat hier ooit stond.















Bronnen:

  • Baren, K. van, "Een aanbesteding van de korenmolen in 1825", in: Stad en Graafschap Leerdam, jrg. 4, nr. 2 via Historische Vereniging Leerdam
  • Berg, R. v.d., "De korenmolen aan de Westwal" in: De Gecombineerde, 8 maart 1980.
  • Berg, R. v.d., Leerdam in de gouden eeuw,  pag. 103-107.
  • Blom, Teunis, De molens van Leerdam (2013), pag. 21-35.
  • Blom, Teunis, De bevrijding van Leerdam (2020), pag. 119.
  • Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. A. Kon.
  • Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. J. Kon.
  • Haagsman, Dick, Leven binnen de Leerdammer vrijheid, stadswandeling in de 17e eeuw, 2e verbeterde druk (2022), pag. 299-302.
  • Janik, B.A. en H.J. van Rees (red.), De molens van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, van maalwerktuigen tot cultuurmonumenten (1993), pag. 86-87. 
  • Molendatabase, Korenmolen op de Westwal <1557-1712.
  • Molendatabase, Leerdamse korenmolen op de Westwal 1712-1922.
  • "Molenstomp in Leerdam gesloopt" in: MolenwereldMaandblad over molens en hun opvolgers, 2e jaargang nr. 5, 1999.