5 juli 2026

De korenmolen aan de Westwal

 

IN BEWERKING


Eeuwenlang vormde de korenmolen op de hoek van de Westwal en Noordwal een vertrouwd onderdeel van het stadsbeeld van Leerdam. Al vóór de achttiende eeuw werd op deze plek graan gemalen. In de loop van de tijd werd de molen meerdere keren vernieuwd, hersteld en aangepast, totdat hij uiteindelijk in de twintigste eeuw uit het straatbeeld verdween. 






De korenmolen aan de Westwal was eigendom van de Domeinen, het grondbezit van de landsheer (later de prins van Oranje en uiteindelijk de staat). Het molenrecht werd al genoemd in het stadsrecht dat de Hollandse graaf Willem VI in 1407 aan Leerdam verleende.

Het dagelijks beheer was in handen van een rentmeester, die de molen verpachtte, de pacht inde en toezicht hield op zowel het onderhoud als de naleving van de pachtvoorwaarden. De molenaar was daarmee niet de eigenaar, maar de exploitant van de molen. Hij betaalde jaarlijks een aanzienlijke pachtsom en was verantwoordelijk voor het dagelijkse onderhoud en de bedrijfsvoering, terwijl de kosten van grote reparaties doorgaans door het graafschap of de Domeinen werden gedragen. 

Deze organisatie onderstreept het grote belang van de molen voor de voedselvoorziening en de lokale economie van Leerdam.





 
Gevelsteen in de oude molenromp, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, 1988.
Zichtbaar is het wapen van de Gorcumse familie Deijm. 























Vanaf 1654 gold het ‘recht van dwang’ in het graafschap, waardoor inwoners van Leerdam en Acquoy verplicht waren hun koren en graan op de dwangmolen te laten malen, op straffe van boete en arbitraire correctie.


Ets. Prentmaker: Philippus van der Schley, naar tekening van: Jan de Beijer, ca. 1739-1817






























Naast de korenmolen stond van oudsher een grut- of rosmolen; een molen waarbij de aandrijvingskracht werd geleverd door een paard. 

Meer info hierover vind je in de blog die ik schreef hierover


's Gravenhaegse Courant 27-2-1750





Archiefstukken laten zien dat de molen regelmatig onderhoud nodig had. Houten onderdelen sleten door weer en wind, de kap moest worden gedekt, de roeden en wieken vergden herstel en ook de maalstenen moesten periodiek worden bijgewerkt of vervangen. Soms werden complete onderdelen vernieuwd. De uitgaven hiervoor konden hoog oplopen.

De molenaar werkte niet alleen. Hij had vaak een knecht in dienst en verrichtte daarnaast allerlei werkzaamheden die met het malen van graan samenhingen. Boeren brachten hun graan naar de molen, waar het werd gewogen en gemalen. Bakkers en brouwers behoorden tot de vaste klanten. Het werk verliep volgens nauwkeurige regels. Voor het wegen, de hoeveelheid meel en de betaling golden vaste afspraken, die regelmatig aanleiding gaven tot discussies wanneer klanten meenden te weinig meel terug te krijgen of te veel moesten betalen.



Leydse Courant 14-3-1804




Oprechte Haarlemse courant 17-3-1804





Journal du département des bouches de la Meuse
(Dagblad van het departement der monden van de Maas)
30-8-1812







Nederlandsche staatscourant 15-5-1816






Rond 1820 wordt de molen gepacht door Paulus Arij Huijzer, voor f. 1300 per jaar. 



Opregte Haarlemsche Courant 28-9-1819




Nederlandsche staatscourant 11-3-1824
Nederlandsche staatscourant 29-3-1824















Utrechtsche Courant 8-4-1825



Nederlandsche Staatscourant 13-4-1827





Utrechts volksblad 4-4-1827



Opregte Haarlemsche Courant 20-3-1838




Opregte Haarlemsche Courant 20-11-1838




Nederlandsche staatscourant 2-2-1841







Opregte Haarlemsche Courant 22-4-1841
Opregte Haarlemsche Courant 14-5-1842















Aan de molen waren uitgebreide pachtvoorwaarden verbonden. Daarin stond niet alleen hoeveel pacht betaald moest worden, maar ook hoe de molenaar zich hoorde te gedragen. Hij moest de molen zorgvuldig onderhouden, eerlijk wegen, voldoende malen en zijn klanten gelijk behandelen. Daarnaast golden regels over brandveiligheid, het houden van vee, het schenken van drank en zelfs over het aannemen van personeel. Deze voorwaarden moesten misbruik voorkomen en ervoor zorgen dat de molen zijn belangrijke functie voor de gemeenschap kon blijven vervullen.


In de 19e eeuw werd de korenmolen enige tijd bemand door Antonie Cornelis Gerardus de Heus (1803–1869). Hij werd geboren in Wijk bij Duurstede, uit een korenmolenaarsgeslacht. Een kleinzoon van zijn broer stichtte later het bedrijf De Heus Voeders

Antonie was gehuwd met Maria van Lakerveld uit Ameide. Nadat hij als korenmolenaarsknecht in Heukelum had gewerkt, vestigde hij zich rond 1832 als korenmolenaar in Leerdam.




Opregte Haarlemsche Courant 15-2-1853
Opregte Haarlemsche Courant 4-7-1859






Opregte Haarlemsche Courant 5-4-1861
Opregte Haarlemsche Courant 30-5-1863







Toen zijn zoon Antonie, molenaar te Heukelum, in 1868 naar Amerika vertrok, keerde hij vermoedelijk terug als korenmolenaar in Heukelum. Op 30 september 1869 overleed Antonie de Heus daar op 66-jarige leeftijd.




Algemeen Handelsblad 6 en 8-9-1866
Algemeen Handelsblad 24 en 26-10-1866









In 1884 werd de korenmolen voor een periode van zes jaar verhuurd aan Jilles Kon (1833–1914). Kon was landbouwer in Lexmond, geboren in Groot-Ammers en gehuwd met Geertje Oosterom (1835–1907). Voor de huur betaalde hij 430 gulden per jaar. Daarnaast huurde hij ook een perceel weiland.




Het nieuws van den dag 21-3-1887
Het nieuws van de dag 30-7-1896









De overheid hield toezicht op het functioneren van de molen. Bij klachten of achterstallig onderhoud werden onderzoeken ingesteld. 

In 1889 kreeg Kon vergunning om in een schuur op de hoek van de Westwal en de Bergstraat een gasmotor te plaatsen voor het malen van graan en veevoeder.

Met de komst van stoom- en later motoraandrijving verloor de windmolen echter geleidelijk zijn economische betekenis en raakte hij in verval.


De Leerdammer, 30-10-1907
De Leerdammer, 2-11-1910

 












Deze foto dateert van rond 1910-1912, gemaakt door G.J. Exaltus


































Algemeen Handelsblad 4-1-1914









In 1914 werd Adrianus Kon (1864-1927), de zoon van Jilles Kon, officieel eigenaar van de molen. Ook zijn oudste zoon, Jieles Kon (1897-1953) hielp mee in het bedrijf. 



Nederlandsche staatscourant 10-3-1914


























Rond het begin van de jaren 1920 kwamen er nieuwe landelijke regels die het gebruik van windmolens sterk beperkten. Deze regels waren vooral bedoeld om arbeidsomstandigheden te verbeteren en het gebruik van motoren beter te reguleren. Zodra een molen was uitgerust met een motor om ook zonder wind te kunnen malen, golden er strenge voorwaarden. Eén daarvan was dat de molen niet meer mocht draaien of malen op windkracht wanneer de motor aanwezig was. Daardoor verloor de windmolen zijn functie als zelfstandige graanmolen.

Omdat de molen niet meer vrij op de wind mocht draaien, kon er ook geen voldoende productie meer worden gehaald uit alleen windkracht. Hierdoor werd het financieel niet meer haalbaar om de molen op de traditionele manier te blijven gebruiken.

De regels in de Arbeidswet zorgden zelfs voor politieke discussie in de Tweede Kamer. Daarbij werd onder andere de gedeeltelijke afbraak van de molen in Leerdam aangehaald als voorbeeld van de gevolgen van deze regelgeving.

Molenaar Kon liet weten dat hij de molen graag wilde behouden, zolang de regels zouden worden aangepast.


De Katholieke Illustratie  jrg 56, 1921-1922,
no. 17, 18-01-1922




































Het Vaderland 13-1-1922
Nieuwsblad van Friesland 17-1-1922




















Maar dan komt het toch zover: de molen wordt in 1922 onttakeld: de kap, wieken en stelling werden verwijderd, waardoor alleen de stenen romp overbleef.




Arnhemsche Courant 10-3-1922
Rotterdamsche Courant 10-6-1922






Rotterdamsche Courant 24-12-1921





























Nieuwe Rotterdamsche Courant 10-7-1923
Alg. Handelsblad 19-3-1926










































De molenstomp.
















In het bijgebouw, waar vroeger de rosmolen zich bevond, werd nu met een motor gemalen. Molenaar Kon hield daarnaast ook nog koeien, naast de molen bevonden zich een stal en de hooischuur. 


Er waren in 1943 nog plannen om de molen te herstellen, maar die gingen niet door.

Dagblad van Rotterdam 23-7-1943
Algemeen Handelsblad 28-7-1943














In 1952 werd de romp gedeeltelijk afgebroken tot ongeveer baliehoogte. Allerlei bestemmingen kreeg de romp hierna: een lompensorteerbedrijf, een antiekhandel en een tingieterij. 


De Gecombineerde, 16-6-1956











De molenstomp
1988



























Het laatste restant van de romp werd in 1999 gesloopt en vervangen door een gemetselde nep-romp als herinnering aan de oorspronkelijke molen. De naam van appartementencomplex "Molenburcht" - in 2000 gerealiseerd - herinnert nog steeds aan de oude korenmolen. 


Bronnen:

  • Berg, R. v.d., "De korenmolen aan de Westwal" in: De Gecombineerde, 8 maart 1980.
  • Blom, Teunis, De molens van Leerdam (2013), pag. 21-35.
  • Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. A. Kon
  • Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. J. Kon
  • Janik, B.A. en H.J. van Rees (red.), De molens van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, van maalwerktuigen tot cultuurmonumenten (1993), pag. 86-87.