Het zal voor de Leerdammers een bijzonder schouwspel zijn geweest: op woensdag 11 november 1863, klokslag 10 uur ’s ochtends, stonden de heren van het kerkbestuur van de Hervormde Kerk op het kerkplein voor de Grote Kerk met een bijzondere veiling.
Vier glimmende koperen kerkkroonluchters met bijbehorende tweelichts Engelse lampen, vijf koperen bankstandaards, een aantal beklede vrouwen-zitbanken én enkele losse kerkbankkussens gingen onder de hamer.
![]() |
| Algemeen Handelsblad 2-11-1863 |
In maart 1863 was tweemaal een verkoopadvertentie voor het oude kerkinterieur geplaats in de Opregte Haarlemsche Courant maar kennelijk had dit niet het gewenste resultaat opgeleverd; alleen de preekstoel met klankbord was verkocht (aan Tienhoven aan de Lek). Vandaar dat de kerkinterieur-verkoping op deze novemberochtend op het kerkplein werd gehouden.
![]() |
| Opregte Haarlemsche Courant 14 en 17-03-1863 |
![]() |
| Opregte Haarlemsche Courant 27 en 30-6-1862, Nieuwe Rotterdamsche Courant 26-6-1862, Algemeen Handelsblad 28-6 en 1-7-1862 |
![]() |
De preekstoel in de St. Nicolaaskerk te Tienhoven die tot 1863 in Leerdam stond. 9-1980, foto: G.J. Dukker, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, doc.nr. 232.324. |
![]() |
| Nieuwe Rotterdamsche Courant 22-8-1862 |
![]() |
| Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 13-4-1863 |
![]() |
| Het Amsterdamsch handels- en effectenblad 6-11-1863 |
![]() |
| Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 12-01-1863 |
Architect David van der Tas (1822-1882) uit Schiedam ontwierp de nieuwe, neogotische uitstraling voor de Grote Kerk en aannemer Willem Dirk van Mourik (1835-1891) uit Drumpt bij Tiel voerde het plan uit, onder toeziend oog van opzichter P. Jansen uit Tiel. Aannemer Van Mourik was ook een van de aandeelhouders van de Leerdamsche Gazverlichtingsmaatschappij.
De stijlvernieuwingen werden alom geprezen en de kerk kreeg niet alleen een neogotische look, maar ook gasverlichting met maar liefst 100 lampen.
Schrijver "A.I." van het tijdschrift "Nederlandsch Magazijn" bekeek de Leerdamse vernieuwingsdrang sarcastich. Hij schreef in editie van juli 1862:
“Het Herboren Leerdam”
In den aanvang van dezen Jaargang van ons “Magazijn” heb ik (A.I.) over een provinciestadje een woord gezegd, dat ik mij haast berouwen zou. Naar aanleiding eener fraaije teekening van Jan Weissenbruch, schreef ik eenige regels over Leerdam.
Ik zei daarin, dat de in plaat gebrachte poort vervallen was en gestut werd, dat de straat schier ongeplaveid geleek… Dit bragt de gemoederen der brave Leerdammers in beweging; het deed hunne polsen sneller kloppen. Op de societeit werd het artikeltje, waarin Leerdam zoo onregtvaardig aangevallen en verguisd was, besproken en veroordeeld. Op de Zondagochtenden werd er het quadrillere (oefeningen van de schutterij) gestaakt, om zich boos te maken op den ongeroepene, die zoo geheel ten onregte over een “gestutte” poort bazelde; en op de Zondagavonden werden de kaarten nedergelegd, om zich vrolijk te maken over de onnoozelheid van den oningewijde, die van ongeplaveide straten durfde gewagen! Dat wisten de Leerdamsche schoenmakers wel anders! Daarenboven, de balk of pal onder de Steigerpoort, waaraan bij hoogen waterstand de planken plegen bevestigd te worden om de stad voor onderloopen te beveiligen, diende voor heel iets anders, dan om de poort te “stutten”. Nog meer, die poort zou weldra worden omvergehaald, even als de Veerpoort, even als ook de derde poort van Leerdam, de Hoogpoort, indien niet ongelukkig het aan grenzende Jodenkerkhof daartegen bezwaar had doen rijzen.
"Zijn die poorten bouwvallig”, riepen de Leerdammers, “werpt ze dan om!” Verder, de Kerkstraat, de voornaamste straat der stad, werd met groote kosten geheel nieuw geplaveid met flinke, breede, platte keijen, waarop men thans loopt als op een kolfbaan; en een arm der Kerkstraat [nu Fonteinstraat] zal even fraai worden. “Hinderen u”, riepen de Leerdammers, “de oude, ongelijke, zoolbedervende Keijen, rukt ze dan uit!”
Vervolgens, de kerk der Hervormden, de Mariakerk, waarin nog het wapen prijkt van den Engelschen Koning, onzen Prins Willem den Derden, zag er wel wat verwaarloosd uit; doch wat nood! Voor elf duizend gulden werd het “opknappen” van de kerk aanbesteed. Met al de voortvarendheid der opgewekte restauratie-geestdrift werd de hand geslagen aan twee kolommen, die in den weg stonden, en ze werden onder den voet gehaald, op ’t gevaar af, dat het gansche gewelf mogt inzakken. Maar “geen halve maatregelen” was de leus der Leerdammers; “wij zullen der wereld toonen, dat Leerdam geen “vervallen grootheid is!” Gelukkig bleek uit het later ingestelde onderzoek, dat op de twee weggenomen kolommen het gewelf der kerk niet rustte. Preekstoel en orgel, banken en deuren worden insgelijks vernieuwd, de wanden helder wit gestukadoord, en, opdat iedereen, zelfs een ongeroepen schrijver in ’t Nederlandsch Magazijn, zou kunnen zien, hoe net de kruiskerk zal geworden zijn, zullen de kastanjeboomen, die zoolang de kerk met hun poëtisch groen omlijstten, worden omgehouwen. “Geen poëzie!” roepen toch de Leerdammers, “geen poëzie, ten koste der waarheid!”
’t Zou evenwel kunnen gebeuren, dacht men, dat een oningewijde Leerdam ’s avonds bezocht en dan bij ’t licht der olielantaarnen, die “gloeijende spijkers” uit een vorige eeuw, zich niet behoorlijk zou kunnen vergewissen van de flinke bestrating, van de omvergehaalde poorten, van het schoongeveegde kerkplein, van de twee nieuwe pompen uit de Haagsche fabriek van de wed. Sterkman en Zoon, – dat een oningewijde nog zou kunnen twijfelen, in één woord, – of de verlichting wel in Leerdam doorgedrongen was. En daarom, gas!! Reeds zijn de pijpen gelegd, reeds wordt de fabriek opgebouwd, en met oudenjaarsavond hoopt men de helle gasvlammen in Leerdams straten te zien flikkeren. En, zóó opgewonden zijn de Leerdammers in hun vooruitgangskoorts, dat ze nu ook niets meer willen weten van de oude schijnverlichting, en zich liever getroosten tot Sint Sylvester [31 dec.] geen kunstlicht hoegenaamd meer op straat te branden; want gas alleen is waard het herboren Leerdam met zijn glans te omschitteren!
En als dan ook eenmaal het nette societeitslokaal in dien glans zal deelen, het lokaal, waar het nu reeds door den aangebragten ventilator zoo helder en rookvrij geworden is – dan zal men, met het oog op de verfraaide en vernieuwde stad, op het plantsoen buiten de Veerpoort, op de opgeknapte kerk en de nieuwe pompen – en niet minder met het oog op de dertig duizend gulden., die soms op één dag door den uitgebreiden kaashandel op Engeland in Leerdam ontvangen worden, en op den bloei der drie glasblazerijen, die de lucht voortdurend kleuren met haar vurigen rook – dan zal men zeg ik, met het oog op al dien luister en op al die welvaart alle ongeroepenen en oningewijden tarten, die het wagen durven nog van Leerdam als van een “vervallen grootheid” te spreken….
En men zal waarlijk wel gelijk hebben ook!"
___________________
Enkele jaren later maken de heren Droogleever in de krant melding van een ongeval waarbij Johan Hendrik Godschalk, loodgieter, van het dak van de kerk is gevallen. Hij overleefde de val gelukkig. Zijn echtgenote overleed echter tragisch genoeg vlak hierna in het kraambed, waardoor dit bericht vermoedelijk bedoeld was als een oproep tot liefdadigheid.
![]() |
| Nieuwe Rotterdamsche courant staats-, handels-, nieuws- en advertentieblad 16-12-1868 |
__________________
In 1874 zijn er opnieuw werkzaamheden "ter verfraaijing der Hervormde kerk": deze keer wordt de buitenkant aangepakt. De buitenmuren worden 'geportland', gepleisterd met portlandcement.
![]() |
| De Vijfheerenlanden, 22-2-1874 |
Deze renovatie wordt uitgevoerd door de Gebroeders Van Leer uit Leerdam voor 4577 gulden. Dit zullen zijn geweest de broers Aalt van Leer (1843-1921) en Albert Hendrik van Leer (1845-1906).
___________________
In 1903 legde fotograaf Willem Kars (1864–1906) het interieur van het kerkgebouw fotografisch vast. Ik ben benieuwd of deze foto’s nog bewaard zijn gebleven!
![]() |
| De Leerdammer, 12-9-1903 |
![]() |
| De Grote Kerk rond 1919 |
___________________
In 1921 deed timmerman Gerrit Aalt den Ouden (1856-1934) - een neef van de aannemers Van Leer - een bijzondere vondst toen hij de preekstoel herstelde en daarbij de vloer openlegde.
![]() |
| Nieuwe Gorinchemse Courant 4-6-1921 |
___________________
In 1924 werd er een galerij gebouwd in de noordkant van de kerk, waardoor de kerk er tachtig plaatsen bijkrijgt. Architect Jetze Willem Janzen (1891-1957) nam dit ontwerp op zich. Deze verbouwing leverde wel bezwaren op, zo blijkt uit ingezonden brieven in De Leerdammer.
F.L. Blom schrijft dan ook in de brochure 'Restauratie en Nieuwbouw': Datgene wat toen de kerk is aangedaan, tart elke beschrijving. In de buitenmuren werden vierkante ramen geplaatst, een trappenhuis met een plat dak werd aan de achterzijde tegen de kerk aangedrukt. En aan de binnenzijde geleek het een bak, welke tussen de muren was aangebracht. Met alle goede bedoelingen, was de betreffende architect er alleen maar in geslaagd een aantal zitplaatsen te creëren. Maar dat was dan ook het enige. Verder was het een radicale mislukking".
Laten we het erop houden dat architect Janzen beter was in het ontwerpen van huizen en glazen stenen. (Over hem gaat dan ook deze eerdere blog).
![]() |
| De Leerdammer, 5-7-1924 |
![]() |
| De Leerdammer, 12-7-1924 |
![]() |
| De Leerdammer, 30-1-1924 |
![]() |
| 1935, Regionaal Archief Dordrecht, inv.nr. 552_307851 |
![]() |
1930-1939, Reg. Archief Dordrecht, inv. nr. 552_407082 |
Rond 1937 zijn een aantal oude grafstenen gerestaureerd, werden er nieuwe leien op het dak geplaatst, en werden de gewelfde plafonds opgeknapt en geverfd. Ook werd de gehele vloer vernieuwd. Aannemer J. Boei nam deze werkzaamheden op zich, waarschijnlijk was dit Jan Dirk Boei (1889-1947).
![]() |
| Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer 26-1-1937 |
![]() |
Chr. soc. dagblad voor Nederland De Amsterdammer 30-06-1937 |
![]() |
| Chr. soc. dagblad voor Nederland De Amsterdammer 11-8-1937 |
![]() |
Rijkdienst voor Cultureel Erfgoed doc.nr. 49.623 Foto: G. Th. Delemarre, 1957 |
![]() |
Rijkdienst voor Cultureel Erfgoed doc.nr. 49.625 Foto: G. Th. Delemarre, 1957 |
__________________
Jaren later werd veel van de rigoureuze verbouwingen van 1863 en 1924 weer teruggedraaid. Men vond het achteraf jammer dat het authentieke karakter van het middeleeuwse Godshuis verloren was gegaan door de radicale modernisering.
Tussen 1954 en 1960 voerde Architectenbureau G. en Ir. T. van Hoogevest een grote restauratie uit, waarbij het neogotische interieur zoveel mogelijk werd teruggebracht naar de toestand van vóór 1862, in laatgotische stijl. Het pleisterwerk verdween, het noordportaal en de traptoren naast het zuidportaal werden herbouwd, en de torenspits kreeg een nieuwe gemetselde balustrade.
De neogotische, pompeuze kansel, aangeschaft in 1863, werd verkocht. De teleurstelling over deze preekstoel was groot. Eerst was hij de trots van de gemeente, totdat bleek dat de sierlijke ornamenten op het klankbord van gips waren in plaats van houtsnijwerk.
Helaas was de eerdere kansel in 1863 verkocht aan de gemeente van Tienhoven aan de Lek. In dit oude kerkje staat de voormalig Leerdamse preekstoel nog steeds, net als vroeger in Leerdam, tegen een muur.
![]() |
| De Gecombineerde, 21-9-1957 (Overigens: de signering in de nis van de kerkmuur waarover hierboven wordt gesproken, is waarschijnlijk afkomstig van Gerardus Rudolph Voormolen (1825 Leerdam-1851 Tegal), zoon van de Leerdamse schoolmeester Jan Voormolen, stuurman op de 'Nederwaard'. Hij kan niet bij de restauratie van 1863 betrokken zijn maar zal als scholier (van de Latijnse school?) zijn naam hebben achtergelaten. Dit duidt erop dat de nis al eerder dan in 1863 is dichtgemetseld.) |
![]() |
| De Gecombineerde, 21-9-1957 |
De Leerdamse gemeente gaat tijdens de restauratieperiode in 1959 via een advertentie op zoek naar een geschikte gotische preekstoel. De Bergschenhoekse predikant Van Eijk wijst zijn kerkenraad hierop. De gemeente daar zou een nieuwe preekstoel met een groter klankbord willen laten maken voor een betere akoestiek. En tenslotte was de Bergschenhoekse preekstoel uit 1665 niet meer helemaal passend voor de inmiddels vernieuwde kerk uit 1870. Op deze manier zou dit met gesloten beurzen kunnen plaatsvinden, bedacht dominee Van Eijk. Men vond dat de preekstoel beter tot zijn recht zou komen in een meer passende omgeving.
En zo liep de Leerdamse zoektocht uit op de aanschaf van de historische kansel uit 1665 uit Bergschenhoek. Deze antieke preekstoel staat op een ranke voet en is versierd met snijwerk.
Deze preekstoel kwam zoals hierboven al gezegd oorspronkelijk uit de in 1870 gebouwde en in 1973 gesloopte dorpskerk, zelf weer afkomstig uit de eerdere kerk die in 1696 werd gebouwd. De 17e-eeuwse eiken preekstoel zou toen "dik onder de verf" hebben gezeten.
De Hervormde gemeente van Bergschenhoek ontstond als afsplitsing van Hillegersberg. Door de snelle groei van het buurtschap Hoeck en de grote afstand tot Hillegersberg werd in 1657 bij de classis Schieland verzocht om een eigen kerk en predikant. Met steun van de overheid werd in 1658 een kerk gebouwd, waar Jacobus van Couwenhoven als eerste predikant diende. Na een brand in 1659 verrees een nieuwe kerk, waarin de preekstoel werd geplaatst die nu in Leerdam staat.
![]() |
| Kerk van Bergschenhoek, 1729 |
![]() |
| Het interieur van de Hervormde dorpskerk in Bergschenhoek in 1926. De preekstoel zou in 1959 naar Leerdam verhuizen. Bron: FB Oud-Bergschenhoek |
Een van de Bergschenhoekse predikanten was Adam Frans Simons. Deze dominee kwam in 1882 naar Bergschenhoek, waar hij acht jaar bleef. Hij stond bekend om zijn bevindelijke preken vanaf de kansel, maar ook om zijn corpulentie. Daarom werd de smalle kanseltrap vervangen door een bredere trap met platform, zodat hij gemakkelijker de preekstoel kon betreden. Toen Leerdam later de preekstoel kocht, is deze trap weer vervangen door de 'oude' trap.
Een van de eerste Bergschenhoekse predikanten was Wemmerus Temminck (1668-1727), de oudoom van de opa van Wemmarus Petrus Temminck (1824-1902) de latere gemeenteopzichter van Leerdam.
Mogelijk heeft de preekstoel ook dit voorval meegemaakt:
![]() |
| Het nieuws van den dag voor Nederlands-Indie 31-12-1914 |
Bij de kerkrenovatie in 1957 werd veel verbeterd, maar de mooie kerktuin rondom de Leerdamse kerk verdween:
![]() |
| De Gecombineerde, 29-6-1957 |
De restauratiewerkzaamheden gingen van start in augustus 1958 en werden uitgevoerd door de firma N.V. D. Huurman te Delft.
![]() |
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, doc.nr. 52.880 Foto: G.Th. Delemarre, 1958 |
Tijdens de restauratiewerkzaamheden wordt in september 1957 - achter het orgel - een oude muurschildering met Christus aan het kruis ontdekt. Helaas is deze schildering beschadigd en verbleekt door de lagen witkalk die er door de eeuwen overheen zijn geschilderd.
F.L. Blom schrijft dat er in 1847 door iemand van buiten de stad verzocht werd om een onderzoek te mogen instellen naar eventuele muurschildering in de Leerdamse kerk. "Helaas heeft dit onderzoek niet plaats gevonden. Wellicht had men toen nog iets van betekenis gevonden. Want bij de werkzaamheden van 1862-1863 zijn alle muren afgehakt en is dus elk spoor van schilderwerk verdwenen. De verzeoeker uit 1847 had blijkbaar wel redenen om aan te nemen dat muurschilderingen aanwezig waren".
![]() | ||||
De Gecombineerde, 14-9-1957![]() Het Binnenhof 9-11-1959 Op 29 november 1960 werd de kerk, na drie jaar en vier maanden, weer in gebruik genomen – de gemeente was in de tussentijd uitgeweken naar de Gereformeerde kerk aan de Hoogstraat. ![]() ![]() De Gecombineerde, 1-12-1960 ![]()
De ingebruikname van het Witte-orgel, één van de pronkstukken van het interieur, liet nog twee jaar op zich wachten. Overigens: ook dit orgel is een keer van plaats veranderd en vernieuwd. Het orgel van de Hervormde Kerk van Leerdam komen we voor het eerst in de archieven tegen door een vermelde bouw en reparaties in 1615–1625 door de gerenommeerde Kiespenninck-familie. Het historische belang werd versterkt doordat het orgel oorspronkelijk geschonken was door Maximiliaan van Egmond en Francoise de Lannoy, schoonouders van Anna van Egmond, de eerste echtgenote van prins Willem I, waarmee er een directe link met het Huis van Oranje bestond. Tussen 1713 tot zijn overlijden in 1731 was Antoine Klick organist van de Leerdamse gemeente, als opvolger van Claas Teerhuyse. Zijn naam staat geschreven op het Culemborgse orgel in de St. Barbarakerk in 1720 dat hij beschilderde. Na zijn overlijden in 1731 wordt zijn (huis)orgel te koop werd aangeboden: ![]() Amsterdamse Courant 25-12-1731 Klick werd als organist opgevolgd door Henricus van Lobbregt. Oorspronkelijk stond het orgel volgens gebruik in het zuidertransept bij het altaar, maar het kleine, aanvankelijk enkel koorondersteunende instrument werd in 1760 verplaatst naar de westzijde bij de toren om de gemeentezang beter te ondersteunen. Na de psalmberijming van 1773 kreeg het orgel een leidende rol, en vóór 1849 is het verplaatst naar een galerij of oxaal, waarna de kerkvoogdij besloot de banken eronder aan te passen om meer zitplaatsen te creëren. In 1850 werd besloten het verouderde en te zwakke orgel te vervangen door een geheel nieuw instrument, dat werd gebouwd door de firma Bätz en Cie., maar feitelijk uitgevoerd door Christian Gottlieb Friedrich Witte (1802-1873), de opvolger van Bätz. Op 14 oktober 1853 werd het verven van de kast en het oxaal aan B. van Middelkoop gegund en in daggeld uitgevoerd. Het nieuwe orgel kreeg nieuwe oxaal, hardstenen kolommen en een fraai front en werd in 1854 opgeleverd en goedgekeurd door de heer Nieuwenhuyzen. Het verkopen van het oude orgel ging echter niet zo gemakkelijk als men wel gedacht had. Op 18 maart 1853 deed men aan de fa. Bätz en Cie. het voorstel het oude orgel over te nemen, maar deze deed naar de zin van de kerkmeesters een veel te laag bod. Daarom besloot men tot openbare verkoop. H. van de Sluis kocht het orgel met een oude wijzerplaat en een beeld van David, die op een harp speelde, voor f 210,-. In 1891 wordt het orgel gerestaureerd door de heer Johan Frederik Witte, zoon van de orgelmaker, van de firma Batz uit Utrecht. De Leerdammer, 24-10-1891 In 1940 werd het orgel - na schade door de grote temperatuurswisselingen - gerestaureerd door de firma J.C. Sanders en Zn. uit Utrecht. Chr. soc. dagblad voor Nederland De Amsterdammer 15-8-1940 ![]() ![]() Links: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, foto: G.J. Dukker, 4-1973, doc.nr. 151.880. Rechts: Onbekend, 1960-1980. ![]() De Gecombineerde Vijfheerenlanden, 13-11-1991 Bronnen:
|




%20RKD.jpg)













































