Stap een oude kerk binnen en je betreedt niet alleen een plaats van stilte en bezinning, maar ook een plek waar eeuwen aan geschiedenis verborgen liggen. Onder de stenen vloer, vlak onder je voeten, rusten de overblijfselen van generaties die ooit deel uitmaakten van de gemeenschap: geestelijken, vooraanstaande burgers, weldoeners en andere inwoners die hun sporen in de stad hebben nagelaten.
Onder het koor, het schip of een zijbeuk bevonden zich vaak grafkelders. De toegang daartoe was meestal verborgen onder een zware stenen vloerplaat, voorzien van een naam, inscriptie of familiewapen. Een kleine familiegrafkelder kon slechts enkele meters groot zijn – bijvoorbeeld twee bij drie meter – maar bood voldoende ruimte aan meerdere kisten of gemetselde grafnissen.
Begraven worden in een grafkelder was een voorrecht dat voornamelijk was weggelegd voor de adel, rijke kooplieden, burgemeesters en andere vooraanstaande families. Gewone inwoners kregen een graf op het kerkhof rond de kerk, de zogenoemde kerktuin. Ook na de dood bleef het verschil tussen arm en rijk daarmee zichtbaar.
Ook in Leerdam was deze maatschappelijke verdeling terug te zien. De kerk vormde niet alleen het middelpunt van het dagelijkse leven, maar weerspiegelde ook in de laatste rustplaats de sociale verhoudingen van haar inwoners.
In de krantenarchieven ging ik op zoek naar sporen van de graven in de Grote Kerk. Daarbij stuitte ik op bijzondere details over de ontdekking van het vermeende graf van Jan van Arkel.
__________________________________________________________
Begraven in de kerk
Eeuwenlang was het de gewoonte om belangrijke mensen in de kerk te begraven.
Zo zien we dat in 1731 de Leerdamse kerkrentmeesters laten weten dat alle eigenaars van graven of grafkelders in hun kerk, de rentmeester moeten betalen voor het verhogen van de stenen en het vernieuwen van de gebroken stenen.
![]() |
| 's Gravenhaegse courant 21-03-1731 |
Als er niet gereageerd werd voor 1 mei 1731, vervielen de kelders en graven terug aan de kerk.
In 1772 werden rond begrafenissen nieuwe regels ingevoerd: in de stad en het graafschap Leerdam en de baronie van Acquoy mochten geen uitgebreide begrafenisfeesten meer worden gehouden en mocht geen drank worden uitgedeeld, behalve aan de naaste betrokkenen bij de nalatenschap.
![]() |
| 's Hertogenbossche courant 18-09-1772 |
De rentmeester van de kerkelijke goederen van Leerdam, Theodorus Bijmholt, liet in 1807 advertenties plaatsen waarin hij de eigenaars van grafsteden (grafrechten) in de kerk opriep de zogenoemde tiende verhoging te voldoen. Deze verplichte heffing had betrekking op het grafrecht; wie de betaling niet verrichtte, liep het risico dat het graf aan de kerk zou vervallen. De betalingen konden iedere woensdag tussen negen en twaalf uur worden gedaan op het Domein Comptoir te Leerdam. Daarbij diende men de laatste kwitantie van de aankoop van het graf of van een eerdere verhoging mee te brengen als bewijs van betaling.
![]() |
| Haagsche courant 20-05-1807 |
Niet veel later mochten er geen mensen meer bijgelegd worden in de grafkelders. Vanaf 1829 werd dit in Nederland bij een Koninklijk Besluit van koning Willem I verboden vanwege hygiënische zorgen en veranderende ideeën over openbare gezondheid.
Door het boek Leven der doorluchtige Heeren van Arkel uit 1656 van Abraham Kemp was bekend dat de laatste heer van Arkel in de kerk van Leerdam begraven moest zijn.
In deze kroniek beschreef Kemp de geschiedenis van de heren van Arkel en Gorinchem tot 1500, gebaseerd op de aantekeningen van zijn grootvader Aart Kemp en andere historische bronnen. Zijn werk wordt door historici beschouwd als een belangrijke en over het algemeen betrouwbare bron.
"Hebbende op eenen avond smakelijk sitten eten van eenen grooten Aal, word lang, en haastig sieck, biegt sich, maar uyt zijnde gesonden om sijn kerkelijk gerecht, valt buyten kennis', sterft te Leerdam den 25 van Oogstmaand 1428, oud 65 jaren, en werd daar eerlijk begraven in 't hoogh Choor, onder eenen grooten serk".
Dus: Jan van Arkel werd, na het nuttigen van een smakelijke avondmaaltijd met een grote paling, ernstig en plotseling ziek. Hem wordt de biecht afgenomen, en nadat hij de kerkelijke sacramenten heeft ontvangen, raakt hij buiten bewustzijn. Hij sterft te Leerdam op 25 augustus 1428, 65 jaar oud, en werd daar eervol begraven in het hoogkoor, onder een grote zerk.
Ook is er een akte bekend uit 1509, waarin Frederik van Egmond, graaf van Buren en van Leerdam, aan de heilige kerk binnen de stad Leerdam eeuwig en erfelijk in gebruik geeft de belastingopbrengst van twee blokken land, gelegen in de polder van Hoog-Oosterwijk, onder voorwaarde dat er jaarlijks een gezongen memorie in de kerk zal plaatsvinden. Voorts zullen er vier lichten op de hoeken van de grafsteen worden geplaatst, met negen waskaarsen aan het hoofdeinde. Uit de opbrengst dienen tevens giften aan de armen te worden verstrekt. Dit alles moest strekken tot nagedachtenis aan de edele, welgeboren heer Johan van Arkel.
Men wist dus dat de laatste heer van Arkel in de Leerdamse kerk was begraven.
Maar waar bevond zijn graf zich?
De precieze locatie was in de loop der eeuwen verloren gegaan; de kerk van Leerdam had immers talrijke veranderingen en restauraties ondergaan. Na de overgang naar de protestantse eredienst veranderden niet alleen de liturgie, maar ook de inrichting en beleving van het gebouw ingrijpend. Het hoogaltaar verdween en maakte plaats voor een soberder interieur, waarin de verkondiging van het Woord centraal kwam te staan. In de loop der tijd verschenen bovendien steeds meer vaste kerkbanken. En bij de rigoureuze kerkrestauratie rond 1863 zouden er zerken die in de kerk aanwezig waren, zijn verdwenen en stuk geslagen...
![]() |
| Nieuwe Gorinchemse Courant 4-6-1921 |
In 1969 werd een grafsteen in een tuin in de binnenstad aangetroffen (De Gecombineerde, 31 mei 1969, pag. 5 en De Gecombineerde 8 januari 1971, pag. 3).
Evert J.C. de Veer schrijft hierover in 1970:
"Van de zerken die in die kerk lagen, zijn er bij de ‘verfraaiing’ van de kerk in 1862 verdwenen of stukgeslagen. Vele zouden gebruikt zijn in nabij gelegen panden of tuinen. Enige tijd geleden werd bij het slopen van een pand in de nabijheid van die kerk een deel van een zerk aangetroffen. Het is overgebracht naar het terrein van het plaatselijk museum. Het opschrift luidt: Begraafplaats van Cornelia Wilhelmina van Schalkwijk. Overleden 6 November 1830."
Grafkelders en gewelven onder de kerkvloer zakten soms in en werden dan snel hersteld, maar niet altijd met de nodige zorg. Daardoor raakte de oorspronkelijke ligging van veel graven in de vergetelheid.
Ook de laatste rustplaats van Jan van Arkel was onbekend geraakt.
Al in 1884 uitte een schrijver van een historische column over de Van Arkels in Het Nieuws van den Dag, zijn verontwaardiging over de onvindbare graven van Jan van Arkel in Leerdam en Willem van Arkel in Gorinchem.
Hij klaagt dat het nageslacht het blijkbaar passend vindt om “dergelijke ongelijkheden van den vloer op te ruimen”. Volgens hem is men tevreden zodra alles keurig is “gewit en blinkend geverfd”, zolang het kerkbestuur maar voldaan is. Maar wat, zo vraagt hij zich af, blijft er dan nog over van de herinnering aan de martelaren en helden van het voorgeslacht?
Hij vervolgt bitter dat grafstenen die hun namen en geschiedenis droegen, eenvoudig zijn verdwenen of hergebruikt - soms zelfs als bouwmateriaal, bijvoorbeeld als sluitstukken in een sluis! Dit zou onder meer zijn gebeurd met de zerk van een Gorcums magistraat uit een voornaam geslacht, wiens naam en titels zelfs nog leesbaar zouden zijn langs de openbare weg in het nabijgelegen dorp Acquoy.
![]() |
Het nieuws van de dag: kleine courant 5-8-1884 |

![]() |
| Utrechtsche Courant 1-3-1923 |
![]() |
| De Leerdammer, 21 augustus 1926 |
In 1926 verschijnt de uitgave Beschrijving Leerdam onder redactie van W. en J.A. van Leer.
Zij citeren ook het Latijnse grafopschrift van Jan van Arkel en schrijven daaronder:
"Het lijkt dus waarschijnlijk, dat de steen in 1846 nog bestond, daar het geciteerde grafschrift nergens anders is gevonden. [Dit hoeft niet per se het geval te zijn geweest, een eerdere bron is: Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtsche Bissdom (1725), HT]
Eigenaardig is het evenwel, dat de grafsteen, welke volgens de overlevering van het geslacht van Arkel zou zijn, thans ligt onder de houten vloer van het noordelijk transept en niet onder de vloer van het koor. Het hierboven geciteerde grafschrift komt op dezen steen niet voor en evenmin de elders vermelde wapens van de van Arkels. Het op dezen steen afgebeelde wapen is hoogstwaarschijnlijk indentiek met het wapen van de familie de Court, afgebeeld in Rietstap, Wapenboek van den Nederlandschen Adel, eerste deel 1883. Waarschijnlijk behoort de steen aan een afstammeling van Henri Francois de Court, geboren te Dordrecht 4 Sept. 1746 en overleden 17 Febr. 1823".
Destijds werd vermoedelijk een ander graf aangezien voor dat van Van Arkel.
______________
De ontdekking
Dan is het 1936. In dat jaar wordt de kerkvloer vernieuwd en vervolgens ook de banken in het Westerkoor en Noorderkoor van de Grote Kerk in Leerdam.
Tijdens werkzaamheden in het oostelijk koor van de kerk - het vroegere hoogkoor - werden de banken verwijderd. Daarbij kwamen grafzerken van de burgemeesters Cornelis Beeck (1716) en Anthoni Cleyn (1755) tevoorschijn.
Maar de meest bijzondere vondst was een grote zerk met daarop het wapen van de Van Arkels: een schild met de kenmerkende getande beren. De locatie lag ongeveer drie meter vanaf de zuidelijke muur, op de scheiding tussen schip en koor, met het wapen gericht naar het orgel, zodat men vanaf het vroegere hoogaltaar het wapen in goede stand kon zien.
Zou dit dan de steen boven de grafkelder van de Van Arkels zijn? Opvallend was alleen dat er geen opschrift aanwezig was, terwijl volgens bekende overlevering dit er oorspronkelijk wel bij hoorde. Deze tekst kwam namelijk voor in het boek Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtsche Bissdom (1725).
Het zou gaan om de volgende Latijnse tekst:
Vermibus hic donor, sic ostendere conor.
Et sicut hic ponor, ponitur omnis honor.
Si quis eris qui transieris, sta, respice, plora.
Sum quod eris, quod es ipse fui, pro me precor ora.
Hier word ik aan de wormen prijsgegeven; zo probeer ik te tonen wat ik ben.
En zoals ik hier lig, zo vergaat alle eer.
Als jij voorbijgaat, sta stil, kijk en ween.
Ik ben wat jij zult zijn; wat jij bent was ik ook. Bid daarom voor mij.
Van deze tekst was geen enkele letter meer terug te vinden. Toch ging het onmiskenbaar om een grote zerk op een vindplaats die kon worden verwacht en voorzien van het wapen van de Van Arkels.
Men verwijderde de grafzerk en opende de grafkelder. Daar trof men het skelet aan van een lange man, maar zonder enige grafgiften: geen ring, geen wapens, niets dat zijn identiteit kon bevestigen.
Het graf zou nummer 34 hebben gedragen, maar de registers vermelden onder datzelfde nummer ook andere personen. Mogelijk zijn deze later in hetzelfde graf bijgezet.
Er blijven dus enkele vragen en onzekerheden bestaan. Toch neemt men tot op de dag van vandaag aan dat Jan van Arkel ooit onder deze grafzerk begraven heeft gelegen.
De oude grafkelders zijn met zand gevuld zodat de vloer weer kon worden gelegd. De oude grafstenen werden in januari 1937 herplaatst in de stenen vloer van het open gedeelte in het Westerkoor, onder het orgel. Door ze te omringen met kettingen kregen zij een eervolle plaats terug.
Tijdens de restauratie van 1957–1960 zouden de grafstenen opnieuw worden verplaatst, ditmaal naar de zuidzijde van de kerk, de epistelzijde.
![]() |
| De Leerdammer, 24 oktober 1936 |
![]() |
| Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer 26-1-1937 |
![]() |
Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer 30-6-1937 |
![]() |
Christelijk sociaal dagblad voor Nederland De Amsterdammer 11-8-1937 |
Ook tijdens de werkzaamheden in 1937 worden er diverse grafstenen aangetroffen:
![]() |
| De Leerdammer, 8 juli 1937 |
![]() |
| De Leerdammer, 12 augustus 1937 |
![]() |
De Leerdammer, 18 september 1937 |
Toen vond ik een nogal bijzonder berichtje in de krant:
In Het Vaderland werd een editie van Cosmorama besproken, een maandblad voor internationale fotokunst onder redactie van A.J. van Gelder. In de besproken editie wordt A. van Brakel genoemd, die bij drie foto’s een "merkwaardig artikel" schreef, waarin volgens de recensie "'s levens ernst, lichtzinnigheid en het memento mori zeer goed tot uitdrukking komen”.
Aanleiding voor dit artikel was... de openlegging van het graf van de heren Van Arkel in Leerdam, waarbij 500 jaar oude schedels zichtbaar werden.


![]() |
Cosmorama; maandblad voor internationale fotokunst, jrg 3, no. 6, 01-06-1937 |
- Blom, F.L. "De Grote Kerk te Leerdam" in: ds. H. van Dijk (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 17.
- Blom, Teunis, De kastelen van Leerdam (2024), pag. 118-120.
- Brakel, A. van, "'s Levens ernst, lichtzinnigheid, Memento Mori" in: Cosmorama; maandblad voor internationale fotokunst, jrg. 3, no. 6, 1-6-1937, pag. 83-85. https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMUBL13:279411007:00005 geraadpleegd via Delpher d.d. 15-6-2026.
- Groningen, Catharina L. van, De Vijfheerenlanden met Asperen, Heukelum en Spijk (1989), pag. 330.
- Hoek, C., "Grafzerken in de kerk te Leerdam", gepubliceerd in Ons Voorgeslacht, een uitgave van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie, jrg. 19 (1964).
- Kemp, Abraham, Leven der doorluchtige heeren van Arkel, ende jaar-beschrijving der stad (Paulus Vink, 1656), pag. 238. https://books.google.nl/books?id=nltbAAAAQAAJ&pg=PP5&hl#v, geraadpleegd d.d. 15-6-2026.
- Leer, W. van en J.A. van Leer, Beschrijving Leerdam (1926), pag. 8. Geraadpleegd via Delpher https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB33:205597000:00010 d.d. 17-6-2026.
- Rooden, Peter van, Begraven in Leerdam, 122 jaar begraafinschrijvingen (2019), pag. 233.
- Veer, E.J.C. de, "De grafzekerken in de Ned. Herv. Kerk te Leerdam", gepubliceerd in Ons Voorgeslacht, een uitgave van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie, jrg. 25 (1970).

































