15 juni 2026

De vondst van het vermeende graf van Jan van Arkel (1936)

 


Stap een oude kerk binnen en je betreedt niet alleen een plaats van stilte en bezinning, maar ook een plek waar eeuwen aan geschiedenis verborgen liggen. Onder de stenen vloer, vlak onder je voeten, rusten de overblijfselen van generaties die ooit deel uitmaakten van de gemeenschap: geestelijken, vooraanstaande burgers, weldoeners en andere inwoners die hun sporen in de stad hebben nagelaten.

Onder het koor, het schip of een zijbeuk bevonden zich vaak grafkelders. De toegang daartoe was meestal verborgen onder een zware stenen vloerplaat, voorzien van een naam, inscriptie of familiewapen. Een kleine familiegrafkelder kon slechts enkele meters groot zijn – bijvoorbeeld twee bij drie meter – maar bood voldoende ruimte aan meerdere kisten of gemetselde grafnissen.

Begraven worden in een grafkelder was een voorrecht dat voornamelijk was weggelegd voor de adel, rijke kooplieden, burgemeesters en andere vooraanstaande families. Gewone inwoners kregen een graf op het kerkhof rond de kerk, de zogenoemde kerktuin. Ook na de dood bleef het verschil tussen arm en rijk daarmee zichtbaar.

Ook in Leerdam was deze maatschappelijke verdeling terug te zien. De kerk vormde niet alleen het middelpunt van het dagelijkse leven, maar weerspiegelde ook in de laatste rustplaats de sociale verhoudingen van haar inwoners.


In de krantenarchieven ging ik op zoek naar sporen van de graven in de Grote Kerk. Daarbij stuitte ik op bijzondere details over de ontdekking van het vermeende graf van Jan van Arkel.


__________________________________________________________

Begraven in de kerk


Eeuwenlang was het de gewoonte om belangrijke mensen in de kerk te begraven. 

Zo zien we dat in 1731 de Leerdamse kerkrentmeesters laten weten dat alle eigenaars van graven of grafkelders in hun kerk, de rentmeester moeten betalen voor het verhogen van de stenen en het vernieuwen van de gebroken stenen. 

's Gravenhaegse courant 21-03-1731

Als er niet gereageerd werd voor 1 mei 1731, vervielen de kelders en graven terug aan de kerk. 


In 1772 werden rond begrafenissen nieuwe regels ingevoerd: in de stad en het graafschap Leerdam en de baronie van Acquoy mochten geen uitgebreide begrafenisfeesten meer worden gehouden en mocht geen drank worden uitgedeeld, behalve aan de naaste betrokkenen bij de nalatenschap.


's Hertogenbossche courant 18-09-1772










De rentmeester van de kerkelijke goederen van Leerdam, Theodorus Bijmholt, liet in 1807 advertenties plaatsen waarin hij de eigenaars van grafsteden (grafrechten) in de kerk opriep de zogenoemde tiende verhoging te voldoen. Deze verplichte heffing had betrekking op het grafrecht; wie de betaling niet verrichtte, liep het risico dat het graf aan de kerk zou vervallen. De betalingen konden iedere woensdag tussen negen en twaalf uur worden gedaan op het Domein Comptoir te Leerdam. Daarbij diende men de laatste kwitantie van de aankoop van het graf of van een eerdere verhoging mee te brengen als bewijs van betaling.


Haagsche courant 20-05-1807








Niet veel later mochten er geen mensen meer bijgelegd worden in de grafkelders. Vanaf 1829 werd dit in Nederland bij een Koninklijk Besluit van koning Willem I verboden vanwege hygiënische zorgen en veranderende ideeën over openbare gezondheid.


Door het boek Leven der doorluchtige Heeren van Arkel uit 1656 van Abraham Kemp was bekend dat de laatste heer van Arkel in de kerk van Leerdam begraven moest zijn. 

In deze kroniek beschreef Kemp de geschiedenis van de heren van Arkel en Gorinchem tot 1500, gebaseerd op de aantekeningen van zijn grootvader Aart Kemp en andere historische bronnen. Zijn werk wordt door historici beschouwd als een belangrijke en over het algemeen betrouwbare bron.

Jan V van Arkel (1362–1428) was een machtige Hollandse edelman die belangrijke functies bekleedde als stadhouder en muntmeester van Holland, Zeeland en West-Friesland. Hij bezat uitgestrekte gebieden in onder meer Arkel, Mechelen en Hagestein, maar raakte verwikkeld in de Arkelse Oorlogen tegen de graven van Holland, waarbij hij uiteindelijk zijn macht en landgoederen verloor. Na jaren van conflict en gevangenschap (1415-1426) bracht hij zijn laatste levensjaren door in Leerdam, waar hij in 1428 overleed. Zijn enige zoon Willem had geen wettige nakomelingen en zo kwam er een einde aan de Van Arkel-dynastiek. Dochter Maria trouwde met Jan van Egmond en de Arkelse goederen kwamen toe aan het huis van Egmond. Zo kwam het land van Arkel grotendeels in bezit van Holland en de hertog van Gelre.


Van het overlijden van Jan van Arkel tekende Kemp het volgende op:

"Hebbende op eenen avond smakelijk sitten eten van eenen grooten Aal, word lang, en haastig sieck, biegt sich, maar uyt zijnde gesonden om sijn kerkelijk gerecht, valt buyten kennis', sterft te Leerdam den 25 van Oogstmaand 1428, oud 65 jaren, en werd daar eerlijk begraven in 't hoogh Choor, onder eenen grooten serk"

Dus: Jan van Arkel werd, na het nuttigen van een smakelijke avondmaaltijd met een grote paling, ernstig en plotseling ziek. Hem wordt de biecht afgenomen, en nadat hij de kerkelijke sacramenten heeft ontvangen, raakt hij buiten bewustzijn. Hij sterft te Leerdam op 25 augustus 1428, 65 jaar oud, en werd daar eervol begraven in het hoogkoor, onder een grote zerk.



Ook is er een akte bekend uit 1509, waarin Frederik van Egmond, graaf van Buren en van Leerdam, aan de heilige kerk binnen de stad Leerdam eeuwig en erfelijk in gebruik geeft de belastingopbrengst van twee blokken land, gelegen in de polder van Hoog-Oosterwijk, onder voorwaarde dat er jaarlijks een gezongen memorie in de kerk zal plaatsvinden. Voorts zullen er vier lichten op de hoeken van de grafsteen worden geplaatst, met negen waskaarsen aan het hoofdeinde. Uit de opbrengst dienen tevens giften aan de armen te worden verstrekt. Dit alles moest strekken tot nagedachtenis aan de edele, welgeboren heer Johan van Arkel. 



Men wist dus dat de laatste heer van Arkel in de Leerdamse kerk was begraven. 

Maar waar bevond zijn graf zich?

De precieze locatie was in de loop der eeuwen verloren gegaan; de kerk van Leerdam had immers talrijke veranderingen en restauraties ondergaan. Na de overgang naar de protestantse eredienst veranderden niet alleen de liturgie, maar ook de inrichting en beleving van het gebouw ingrijpend. Het hoogaltaar verdween en maakte plaats voor een soberder interieur, waarin de verkondiging van het Woord centraal kwam te staan. In de loop der tijd verschenen bovendien steeds meer vaste kerkbanken. En bij de rigoureuze kerkrestauratie rond 1863 zouden er zerken die in de kerk aanwezig waren, zijn verdwenen en stuk geslagen...



Nieuwe Gorinchemse Courant 4-6-1921








In 1969 werd een grafsteen in een tuin in de binnenstad aangetroffen (De Gecombineerde, 31 mei 1969, pag. 5 en De Gecombineerde 8 januari 1971, pag. 3). 

Evert J.C. de Veer schrijft hierover in 1970: 

"Van de zerken die in die kerk lagen, zijn er bij de ‘verfraaiing’ van de kerk in 1862 verdwenen of stukgeslagen. Vele zouden gebruikt zijn in nabij gelegen panden of tuinen. Enige tijd geleden werd bij het slopen van een pand in de nabijheid van die kerk een deel van een zerk aangetroffen. Het is overgebracht naar het terrein van het plaatselijk museum. Het opschrift luidt: Begraafplaats van Cornelia Wilhelmina van Schalkwijk. Overleden 6 November 1830." 


Grafkelders en gewelven onder de kerkvloer zakten soms in en werden dan snel hersteld, maar niet altijd met de nodige zorg. Daardoor raakte de oorspronkelijke ligging van veel graven in de vergetelheid. 

Ook de laatste rustplaats van Jan van Arkel was onbekend geraakt.


Al in 1884 uitte een schrijver van een historische column over de Van Arkels in Het Nieuws van den Dag, zijn verontwaardiging over de onvindbare graven van Jan van Arkel in Leerdam en Willem van Arkel in Gorinchem. 

Hij klaagt dat het nageslacht het blijkbaar passend vindt om “dergelijke ongelijkheden van den vloer op te ruimen”. Volgens hem is men tevreden zodra alles keurig is “gewit en blinkend geverfd”, zolang het kerkbestuur maar voldaan is. Maar wat, zo vraagt hij zich af, blijft er dan nog over van de herinnering aan de martelaren en helden van het voorgeslacht?

Hij vervolgt bitter dat grafstenen die hun namen en geschiedenis droegen, eenvoudig zijn verdwenen of hergebruikt - soms zelfs als bouwmateriaal, bijvoorbeeld als sluitstukken in een sluis! Dit zou onder meer zijn gebeurd met de zerk van een Gorcums magistraat uit een voornaam geslacht, wiens naam en titels zelfs nog leesbaar zouden zijn langs de openbare weg in het nabijgelegen dorp Acquoy.


Het nieuws van de dag: kleine courant 5-8-1884 



Utrechtsche Courant 1-3-1923
De Leerdammer, 21 augustus 1926


















In 1926 verschijnt de uitgave Beschrijving Leerdam onder redactie van W. en J.A. van Leer. 

Zij citeren ook het Latijnse grafopschrift van Jan van Arkel en schrijven daaronder:

"Het lijkt dus waarschijnlijk, dat de steen in 1846 nog bestond, daar het geciteerde grafschrift nergens anders is gevonden. [Dit hoeft niet per se het geval te zijn geweest, een eerdere bron is: Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtsche Bissdom (1725), HT]
Eigenaardig is het evenwel, dat de grafsteen, welke volgens de overlevering van het geslacht van Arkel zou zijn, thans ligt onder de houten vloer van het noordelijk transept en niet onder de vloer van het koor. Het hierboven geciteerde grafschrift komt op dezen steen niet voor en evenmin de elders vermelde wapens van de van Arkels. Het op dezen steen afgebeelde wapen is hoogstwaarschijnlijk indentiek met het wapen van de familie de Court, afgebeeld in Rietstap, Wapenboek van den Nederlandschen Adel, eerste deel 1883. Waarschijnlijk behoort de steen aan een afstammeling van Henri Francois de Court, geboren te Dordrecht 4 Sept. 1746 en overleden 17 Febr. 1823". 


Destijds werd vermoedelijk een ander graf aangezien voor dat van Van Arkel.

______________


De ontdekking


Dan is het 1936. In dat jaar wordt de kerkvloer vernieuwd en vervolgens ook de banken in het Westerkoor en Noorderkoor van de Grote Kerk in Leerdam.

Tijdens werkzaamheden in het oostelijk koor van de kerk - het vroegere hoogkoor - werden de banken verwijderd. Daarbij kwamen grafzerken van de burgemeesters Cornelis Beeck (1716) en Anthoni Cleyn (1755) tevoorschijn. 

Maar de meest bijzondere vondst was een grote zerk met daarop het wapen van de Van Arkels: een schild met de kenmerkende getande beren. De locatie lag ongeveer drie meter vanaf de zuidelijke muur, op de scheiding tussen schip en koor, met het wapen gericht naar het orgel, zodat men vanaf het vroegere hoogaltaar het wapen in goede stand kon zien.


Zou dit dan de steen boven de grafkelder van de Van Arkels zijn? Opvallend was alleen dat er geen opschrift aanwezig was, terwijl volgens bekende overlevering dit er oorspronkelijk wel bij hoorde. Deze tekst kwam namelijk voor in het boek Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtsche Bissdom (1725).

Het zou gaan om de volgende Latijnse tekst:

Vermibus hic donor, sic ostendere conor.
Et sicut hic ponor, ponitur omnis honor.
Si quis eris qui transieris, sta, respice, plora.
Sum quod eris, quod es ipse fui, pro me precor ora.

Hier word ik aan de wormen prijsgegeven; zo probeer ik te tonen wat ik ben.
En zoals ik hier lig, zo vergaat alle eer.
Als jij voorbijgaat, sta stil, kijk en ween.
Ik ben wat jij zult zijn; wat jij bent was ik ook. Bid daarom voor mij.



Van deze tekst was geen enkele letter meer terug te vinden. Toch ging het onmiskenbaar om een grote zerk op een vindplaats die kon worden verwacht en voorzien van het wapen van de Van Arkels. 

Men verwijderde de grafzerk en opende de grafkelder. Daar trof men het skelet aan van een lange man, maar zonder enige grafgiften: geen ring, geen wapens, niets dat zijn identiteit kon bevestigen.

Het graf zou nummer 34 hebben gedragen, maar de registers vermelden onder datzelfde nummer ook andere personen. Mogelijk zijn deze later in hetzelfde graf bijgezet.

Er blijven dus enkele vragen en onzekerheden bestaan. Toch neemt men tot op de dag van vandaag aan dat Jan van Arkel ooit onder deze grafzerk begraven heeft gelegen.

De oude grafkelders zijn met zand gevuld zodat de vloer weer kon worden gelegd. De oude grafstenen werden in januari 1937 herplaatst in de stenen vloer van het open gedeelte in het Westerkoor, onder het orgel. Door ze te omringen met kettingen kregen zij een eervolle plaats terug.

Tijdens de restauratie van 1957–1960 zouden de grafstenen opnieuw worden verplaatst, ditmaal naar de zuidzijde van de kerk, de epistelzijde.





De Leerdammer, 24 oktober 1936
 
Christelijk sociaal dagblad voor Nederland
De Amsterdammer 26-1-1937








































Christelijk sociaal dagblad voor Nederland
De Amsterdammer 30-6-1937
Christelijk sociaal dagblad voor Nederland
De Amsterdammer 11-8-1937

















Ook tijdens de werkzaamheden in 1937 worden er diverse grafstenen aangetroffen:


De Leerdammer, 8 juli 1937
De Leerdammer, 12 augustus 1937









De Leerdammer, 18 september 1937












 








Toen vond ik een nogal bijzonder berichtje in de krant:

In Het Vaderland werd een editie van Cosmorama besproken, een maandblad voor internationale fotokunst onder redactie van A.J. van Gelder. In de besproken editie wordt A. van Brakel genoemd, die bij drie foto’s een "merkwaardig artikel" schreef, waarin volgens de recensie "'s levens ernst, lichtzinnigheid en het memento mori zeer goed tot uitdrukking komen”. 

Aanleiding voor dit artikel was... de openlegging van het graf van de heren Van Arkel in Leerdam, waarbij 500 jaar oude schedels zichtbaar werden.


Het Vaderland 24-6-1937



























In Leerdam woonde aan de Nieuwstraat 11 de eigenaar van Kouwenbergs zaadhandel, amateurfotograaf Abraham (Bram) van Brakel (1900-1979). Was de genoemde A. van Brakel dezelfde persoon?

En... had hij een foto gemaakt van de schedel die in theorie zou kunnen toebehoren aan Jan van Arkel? 


De betreffende editie van Cosmorama bleek online beschikbaar en gaf het antwoord:











Cosmorama; maandblad voor internationale fotokunst,
jrg 3, no. 6, 01-06-1937
















 











































Bronnen:

  • Blom, F.L. "De Grote Kerk te Leerdam" in: ds. H. van Dijk (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 17.
  • Blom, Teunis, De kastelen van Leerdam (2024), pag. 118-120.
  • Brakel, A. van, "'s Levens ernst, lichtzinnigheid, Memento Mori" in: Cosmorama; maandblad voor internationale fotokunst, jrg. 3, no. 6, 1-6-1937, pag. 83-85. https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMUBL13:279411007:00005 geraadpleegd via Delpher d.d. 15-6-2026.
  • Groningen, Catharina L. van, De Vijfheerenlanden met Asperen, Heukelum en Spijk (1989), pag. 330.
  • Hoek, C., "Grafzerken in de kerk te Leerdam", gepubliceerd in Ons Voorgeslacht, een uitgave van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie, jrg. 19 (1964).
  • Kemp, Abraham, Leven der doorluchtige heeren van Arkel, ende jaar-beschrijving der stad (Paulus Vink, 1656), pag. 238. https://books.google.nl/books?id=nltbAAAAQAAJ&pg=PP5&hl#v, geraadpleegd d.d. 15-6-2026. 
  • Leer, W. van en J.A. van Leer, Beschrijving Leerdam (1926), pag. 8. Geraadpleegd via Delpher https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB33:205597000:00010 d.d. 17-6-2026. 
  • Rooden, Peter van, Begraven in Leerdam, 122 jaar begraafinschrijvingen (2019), pag. 233.
  • Veer, E.J.C. de, "De grafzekerken in de Ned. Herv. Kerk te Leerdam", gepubliceerd in Ons Voorgeslacht, een uitgave van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie, jrg. 25 (1970).

14 juni 2026

De orgels van de Grote Kerk in Leerdam


In bewerking





Het eerste orgel, ~1615 - 1853

Het eerste orgel van de Hervormde Kerk in Leerdam wordt in de archieven voor het eerst vermeld in verband met bouw- en reparatiewerkzaamheden tussen 1615 en 1625, uitgevoerd door de gerenommeerde familie Kiespenninck. Een vroege en concrete aanwijzing hiervoor is te vinden in de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1615, opgemaakt door de burgemeesters Frans Adriaansz. Cool en Jan Willemsz. Daarin wordt melding gemaakt van een betaling van 200 gulden aan de orgelmaker Kiespenninck, door Frans Adriaansz. Cool voldaan als eerste termijn voor het maken en repareren van het orgel in de kerk van Leerdam.

In de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1620 wordt opnieuw melding gemaakt van een betaling aan meester Kiespenninck: het betreft de laatste termijn van 200 gulden voor het maken van het orgel, vermeerderd met 12 gulden en 10 stuivers aan rente, omdat het bedrag moest worden geleend. Hieruit blijkt dat de werkzaamheden over meerdere jaren waren gespreid, met een eerste betaling in 1615 en de laatste in 1620.

Wanneer deze posten worden samengenomen, kan worden geconcludeerd dat de verbetering van het orgel een totale som van circa 1.200 gulden heeft gekost. Dat was een zeer aanzienlijke uitgave: in 1615 bedroegen de totale stedelijke uitgaven 2.911 gulden en in 1620 3.024 gulden. De stad besteedde daarmee ruwweg een zesde deel van haar begroting aan het orgel, verspreid over meerdere jaren. Het feit dat men zelfs een lening met rente van 6,5 % moest afsluiten om de laatste termijn te voldoen, onderstreept hoe zwaar deze investering woog en hoe hoog men de waarde van het orgel inschatte.

Die waardering blijkt ook uit de keuze voor de uitvoerder. De restauratie werd toevertrouwd aan de familie Kiespenninck, een naam die in de orgelbouw hoog stond aangeschreven. Leden van deze familie, onder wie Albert en Gerrit, waren bekende orgelbouwers en restaurateurs die werkzaamheden uitvoerden in onder meer Dordrecht, Gouda, Nijmegen en Culemborg. Voor Leerdam worden in latere jaren ook Jacob en Hendrik Kiespenninck genoemd, die in 1623 en 1625 nog herstelwerkzaamheden aan het orgel verrichtten. Het ging dus om erkende vaklieden met een brede praktijkervaring.

De status van het orgel en de zorg voor een vakkundige restauratie hangen mogelijk samen met de bijzondere herkomst ervan. In het handschrift van Arn. Buchelius, aangehaald in het 'dagboek van De Wit' (P.M. van Gent), wordt beschreven dat het orgel voorzien was van heraldische versieringen, waaronder het wapen van Egmond, gecombineerd met andere adellijke wapens. Deze duiden op een schenking door Maximiliaan van Egmond en Françoise de Lannoy, schoonouders van Anna van Egmond, de eerste echtgenote van prins Willem van Oranje. Het orgel had daarmee een directe verbinding met het Huis van Oranje, wat de hoge waardering in de stad kan verklaren.

Uit dezelfde beschrijving blijkt dat het orgel bovendien rijk gedecoreerd was, onder meer met een voorstelling van de harpspelende koning David, zoals vaker voorkomt op historische orgels. Bij de verkoop van het oude instrument zou dit beeld ook afzonderlijk vermeld worden.

Tot slot blijkt uit de stadsrekening van 1619 dat het orgel in dat jaar opnieuw werd geschilderd en verguld. Hoewel latere bronnen minder expliciet over vergulding spreken, is duidelijk dat het instrument door de eeuwen heen met zorg werd onderhouden en herhaaldelijk is aangepast aan de veranderende tijd en smaak.

Hoewel hierover geen sluitend archiefbewijs is gevonden, lijkt het erop dat de magistraat van Leerdam zich vanaf het begin het recht had toegeëigend om de organist te benoemen. Dit valt indirect af te leiden uit de kerkelijke verhoudingen in de stad, waarin de rol van het stadsbestuur een duidelijke invloed had op het kerkelijk leven.

De organist had in deze periode een veelzijdige taak. Hij begeleidde de koorzang (later de gemeentezang), speelde voor en na de kerkdiensten en bespeelde het orgel ook op andere momenten in de week. Er werden dus ook concerten gehouden!

In 1630 werd een grote reparatie aan het orgel uitgevoerd. Hoewel de kerkenraad het gebruik van het orgel als weinig stichtelijk en van geringe waarde bestempelde, had zij in de praktijk weinig zeggenschap over het gebruik ervan. 

Na de reparatie bleef het orgel echter voorlopig buiten gebruik. De oorzaak daarvan lag niet zozeer in technische problemen, maar in een bestuurlijk conflict over de benoeming van de organist. De magistraat claimde het benoemingsrecht, terwijl de graaf van Leerdam inmiddels de schoolmeester Samuel van der Leyden als organist had aangesteld. Hoewel de magistraat deze benoeming niet kon terugdraaien, kon zij het gebruik van het orgel wel vertragen en bemoeilijken. Uiteindelijk wendde de kerkenraad zich tot burgemeester-ouderling Adriaen Roelants met het verzoek te bemiddelen. De magistraat stelde daarop als voorwaarde dat Van der Leyden eerst haar toestemming moest vragen om het orgel te mogen bespelen. Na verloop van tijd werd een compromis bereikt en kon hij zijn werkzaamheden als organist hervatten.

Ook in de jaren 1653 en 1656 kwam de kwestie opnieuw aan de orde. De magistraat was ontevreden over het optreden van organist Johannes Rijser en verbood hem het bespelen van het orgel. De zaak escaleerde tot bij de Raad- en Rekenkamer van de prins. Tijdens een dienstreis van raadslid Pauw werd de kwestie onderzocht, waarna werd bepaald dat Rijser alsnog betaald diende te worden voor zijn eerdere werkzaamheden. De burgemeesters kregen opdracht zich naar deze uitspraak te voegen. Uiteindelijk werd een praktische oplossing gevonden: Paulus Pietersz. Vos, lid van de magistraat, nam het orgelspel op zich en vervulde deze taak gedurende langere tijd.

Omdat een orgel veel lucht nodig heeft om te kunnen klinken, wordt gebruikgemaakt van een systeem met grote blaasbalgen. Die blaasbalgen kun je zien als de 'longen' van het orgel: ze slaan lucht op en zorgen ervoor dat die gelijkmatig naar de pijpen wordt geleid, zodat het instrument stabiel en zonder haperingen kan klinken. Vroeger moesten deze balgen handmatig worden bediend. Dat werk werd gedaan door een orgelblazer of orgeltrapper, die met de hand of voet de balgen bleef vullen met lucht. Zo bleef de windtoevoer constant en kon de organist ongestoord spelen.

Tegenwoordig is dat werk meestal vervangen door elektriciteit. Een elektrische windmachine zorgt nu voor een constante luchtstroom in de blaasbalgen, waardoor het orgel automatisch en betrouwbaar van wind wordt voorzien. De taak van de orgeltrapper is daardoor nu vrijwel overal verdwenen.

Omdat het orgel vaak een belangrijk en kostbaar stadsinstrument was, hield het stadsbestuur vroeger toezicht op het onderhoud en de werking ervan. Zo werd verzekerd dat het instrument altijd goed functioneerde en bespeelbaar bleef.


Een andere lezing van de geschiedenis van het orgel wordt gegeven door Aart Bergwerff. Hij vermeldt dat George Hendricus Broekhuyzen senior in zijn Orgelbeschrijvingen melding maakt van het voormalige orgel in de Grote Kerk te Leerdam. Volgens Broekhuyzen was het orgel „van oude datum; de stichting en het bouwjaar, evenals de maker, zijn onbekend. Het had negen stemmen, één manuaal, geen pedaal en twee blaasbalgen.” Deze dispositie ontleende Broekhuyzen aan de dispositieverzameling van Joachim Hess. Op basis hiervan concludeerde men dat het waarschijnlijk een orgel betrof van de Bredase orgelbouwer Jacobus Zeemans, gebouwd rond 1715.




Tussen 1713 tot zijn overlijden in 1731 was Antoine Klick organist van de Leerdamse gemeente, als opvolger van Claas Teerhuyse.  Zijn naam staat geschreven op het Culemborgse orgel in de St. Barbarakerk in 1720 dat hij beschilderde. Na zijn overlijden in 1731 wordt zijn (huis)orgel te koop aangeboden:


Amsterdamse Courant  25-12-1731









Klick werd als organist opgevolgd door Henricus van Lobbregt


Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het orgel in de loop van zijn geschiedenis is verplaatst. Volgens oudere gebruikstradities stond het oorspronkelijk aan de Epistel- of Evangeliezijde van het altaar, dus in het zuidertransept. Dit sluit aan bij de beschrijving van Buchelius, die het orgel situeert “in het koor aan de zuidzijde”.

Het was geen groot instrument, wat ook blijkt uit een mededeling uit 1850 waarin wordt opgemerkt dat het orgel te zwak van toon was. In de vroegere situatie was dat helemaal geen bezwaar, aangezien het orgel in eerste instantie slechts diende ter begeleiding van het koor. In de protestantse eredienst ontwikkelde het zich later tot begeleider van de gemeentezang, een taak waarvoor dit instrument oorspronkelijk niet ontworpen was. Toen in 1760 de behoefte aan sterkere ondersteuning van de gemeentezang toenam, achtte men het wenselijk het orgel te verplaatsen naar de westzijde bij de toren, in het schip van de kerk. 

In het dagboek van Abraham de Wit (1798-1848), timmerman in Leerdam, staat opgetekend:

"In dat selve jaar (1760) heb ik in de maand October de Wet, die in de kerk aan den toorn stond afgebrooken en in het oosten geplaatst en het orgel afgebrooken en aan de toorn geplaatst en dat had ik aangenomen voor 55 gulden, maar ik had reykelijk voor soo veel geld aan buytenwerk”.

Men verwachtte dat het instrument daar beter tot zijn recht zou komen en de zang krachtiger zou kunnen ondersteunen. Vooral na de invoering van de psalmberijming van 1773 kreeg het orgel een meer leidende in plaats van begeleidende functie.

Al vóór 1849 stond het orgel op een galerij of oxaal. In de notulen van de kerkvoogdij van de Grote Kerk wordt op 31 januari 1849 vermeld dat, door de toegenomen kerkgang en de verhuur van zitplaatsen, aanpassing van de banken onder het orgel noodzakelijk werd geacht om extra ruimte te creëren. Hoewel dit plan aanvankelijk niet werd uitgevoerd, besloot de kerkvoogdij op 31 december 1850 alsnog tot vernieuwing en verplaatsing van de banken.

Hieruit kan worden afgeleid dat het oude orgel zich toen al in de nabijheid van de laatste pilaren op een galerij moet hebben bevonden.


In 1846 verscheen in de krant een advertentie voor de vacature van organist. Het jaarlijkse salaris bedroeg 250 gulden. Kerkmeester P. Hoolboom benadrukte daarbij dat de kerkelijke gemeente van Leerdam veel waarde hechtte aan een organist die zich in de gemeente zou vestigen en deze functie kon combineren met het geven van muziekonderwijs op piano en andere instrumenten.




Opregte Haarlemsche Courant 18-6-1846






















Organist Jan Willem Nieuwenbosch moet toen naar Leerdam zijn gekomen. Vlak na zijn komst, rond 1850 werd besloten het verouderde en te zwakke orgel te vervangen door een geheel nieuw instrument. Er werd een advertentie in de krant geplaatst en orgelbouwers konden zich inschrijven:


Opregte Haarlemsche Courant 13-1-1851
 



















Nog voordat het nieuwe orgel zijn intrede deed, vertrok organist Nieuwenbosch naar Goor en was er weer een vacature:


Algemeen Handelsblad 21-6-1851
















Het oude kerkorgel werd te koop aangeboden:



Opregte Haarlemsche Courant 22-1-1853















De verkoop van het oude orgel verliep echter minder voorspoedig dan men aanvankelijk had verwacht. Op 18 maart 1853 stelde men de firma Bätz en Cie. (die het nieuwe orgel bouwde) voor het instrument over te nemen, maar het bod dat zij uitbrachten vonden de kerkmeesters veel te laag. Daarom besloot men het orgel openbaar te verkopen. Uiteindelijk werd het gekocht door H. van de Sluis voor een bedrag van f 210,-. Het is niet bekend welke bestemming dit orgel heeft gevonden. 

Bekend is dat op het orgel een oude wijzerplaat aanwezig was en een beeld van David, die op een harp speelde. Helaas zijn er geen tekeningen bekend van dit oude orgel.




Het tweede orgel van Bätz-Witte, 1854-heden


Het idee voor een nieuw orgel kwam niet uit het niets. Al eerder, in de jaren veertig, was er contact geweest met orgelmaker C.F.A. Naber uit Deventer, die in verband met zijn werk in Rumpt belangstelling had voor het Leerdamse orgel en voorstellen deed tot aanpassing. De kerkvoogdij ging daar destijds niet op in, en latere verzoeken om vergoeding werden afgewezen.

Maar na het besluit van 1850 kwam het project snel op gang. In 1851 werden verschillende plannen beoordeeld en uiteindelijk werd de firma Bätz en Cie. uit Utrecht gevraagd een ontwerp en kostenbegroting te maken. Hun voorstel voor een nieuw orgel van 7.500 gulden, met twee klavieren en vrij pedaal, werd aanvaard, evenals de bijkomende kosten voor het oxaal en de afwerking van de kerk.



De Leerdammer, 24 oktober 1891








Het nieuwe Leerdamse orgel werd weliswaar gebouwd onder de naam van de firma Bätz en Cie., maar in de praktijk uitgevoerd door Christian Gottlieb Friedrich Witte (1802–1873), de opvolger van Bätz. Witte zette als leider van de werkplaats de traditie van de overleden orgelmaker voort, waardoor hij feitelijk verantwoordelijk was voor de bouw. Daarom wordt het orgel in de literatuur soms ook aan hem toegeschreven.

In de daaropvolgende jaren werd de inrichting van het oxaal verder uitgewerkt, waarbij uiteindelijk werd gekozen voor hardstenen zuilen. Op 14 oktober 1853 werd het verven van de orgelkast en het oxaal gegund aan B. van Middelkoop en in daggeld uitgevoerd. Het nieuwe orgel, voorzien van een nieuw oxaal met hardstenen kolommen en een fraai front, werd in 1854 voltooid en na een gunstig keuringsrapport van de heer Nieuwenhuyzen, waarin werd vastgesteld dat het instrument aan alle verwachtingen voldeed, goedgekeurd. 
Op 19 maart 1854 werd het orgel feestelijk in gebruik genomen met een kerkdienst en een bespeling door organist Wilhelm Johan Frederik Niuwenhuijzen, organist van de Utrechtse Dom sinds 1840. 



Nieuwe Rotterdamsche courant 7-3-1854





Nieuwe Rotterdamsche courant 22-3-1854










De Leerdammer, 24-10-1891










In 1891 wordt het orgel gerestaureerd door de heer Johan Frederik Witte, zoon van de orgelmaker, van de firma Batz uit Utrecht.


Het jaar 1895 staat in het teken van bijzondere jubilea. Organist Johannes Henricus Mattheus van Bonzel (1835–1920) viert dat hij al veertig jaar de orgelklanken in de Leerdamse Hervormde Kerk verzorgt. Maar zijn lange staat van dienst wordt nog overtroffen door Jan Hartman, die dan al vijftig jaar als orgeltrapper het orgel van de nodige lucht voorziet. Ook deed hij dienst als klokkenluider. 

De Leerdammer, 19 juni 1895
De Leerdammer, 22 juni 1895









De Leerdammer, 22 juni 1895





























Orgeltrapper Hartman zou het nog 10 jaar volhouden en droeg het stokje in 1905 over aan zijn zoon Barend Antonie (1864-1956):


De Leerdammer, 24 juni 1905









In 1915 deed zich een probleem voor met het orgel: de Woudfluit 2 voet op het Bovenklavier bleek defect en moest worden vervangen. Het nieuwe register, een Celeste 8 voet, waarvoor 42 nieuwe pijpen nodig waren, kostte 135 gulden. De werkzaamheden werden uitgevoerd door W. van Dijk te Utrecht. Hij reinigde tevens het pijpwerk van het Bovenklavier, verplaatste enkele pijpen en bracht een zwelkast aan. De totale kosten van de werkzaamheden bedroegen 340 gulden.



Vlak hierna vierde organist Van Bonzel zijn 60-jarig jubileum:


De Leerdammer, 5 januari 1916











































Na het overlijden van Van Bonzel (die uiteindelijk maar liefst 65 jaar als organist aan de kerk verbonden was gewees - tussen 1854 en 1920!) wordt op 1 april 1920 de heer Gerrit Akkerman (1880-1958) tot zijn opvolger benoemd.




De Leerdammer, 6 maart 1920











In 1921 laat organist Akkerman in een brief weten dat het kerkorgel kampt met verschillende gebreken en afwijkingen. Zijn klachten worden besproken tijdens de vergadering van 17 mei van dat jaar. De herstelwerkzaamheden worden vervolgens uitgevoerd door orgelmaker W. van Dijk uit Utrecht (Kerkstraat 36). Voor de reparatie wordt een bedrag van 420 gulden uitgetrokken.

Uit de notulen van 19 oktober 1921 blijkt dat er opnieuw in het orgel wordt geïnvesteerd. De bestaande Calant wordt vervangen door een Tremulant, een register dat de orgelklank een lichte, golvende trilling geeft. Deze aanpassing kost 200 gulden.


In 1939 wordt opnieuw melding gemaakt van achterstallig onderhoud aan het kerkorgel, waarschijnlijk versterkt door grote temperatuurswisselingen. Drie orgelmakers worden uitgenodigd een offerte uit te brengen voor de noodzakelijke werkzaamheden. Uiteindelijk krijgt de firma J.C. Sanders en Zn. uit Utrecht de opdracht toegewezen. Organist Gerrit Akkerman houdt toezicht tijdens deze restauratie.

Tijdens deze restauratie wordt een belangrijke vernieuwing doorgevoerd: voor het eerst wordt het orgel voorzien van een windmachine. Hiermee komt een einde aan de afhankelijkheid van handmatig bediende blaasbalgen en wordt de luchtvoorziening voor het orgel voortaan mechanisch geregeld.

 

Chr. soc. dagblad voor Nederland
De Amsterdammer 15-8-1940




















Gerrit Akkerman herdacht in 1952 zijn 40-jarig jubileum als kerkorganist. 



De Gecombineerde, 28 juni 1952




















Organist Akkerman overleed in 1958 en is dus 28 jaar organist geweest. 

Tussen 1958 en 1960 onderging de Grote Kerk een ingrijpende restauratie. Op 29 november 1960 kon het kerkgebouw weer in gebruik worden genomen, maar het zou nog ruim twee jaar duren voordat ook het orgel weer bespeeld kon worden. Het orgel werd afgebroken en de onderdelen werden opgeslagen in een niet gebruikte regentenkamer van het Hofje van mevrouw Van Aerden. 

Het Bätz-orgel werd in de periode 1959–1961 gerestaureerd door de firma Willem van Leeuwen Gzn. uit Leiderdorp. Daarbij werd het instrument aangepast en uitgebreid tot een orgel met twee manualen en pedaal: een Hoofdwerk met 10 stemmen, een Bovenwerk met 8 stemmen en een pedaal met 4 stemmen. Er werd een verend sleepsysteem aangebracht. De kosten van de werkzaamheden waren f. 39.440,- , met nog een latere kostenpost van 800 gulden voor de koppeling pedaal-Bovenwerk. 

De heer J. van Rossum werd de nieuwe organist van de Leerdamse Grote Kerk. 

In de jaren zeventig wordt het orgel onderhouden door de firma K.B. Blank & Zonen uit Herwijnen. Aansluitend wordt het onderhoud voortgezet door de firma Flentrop Orgelbouw te Zaandam.

Eind 1992 krijgt Flentrop opdracht om de pneumatiek van het Bovenwerk te vervangen, waarmee een belangrijk onderdeel van de technische besturing van het orgel wordt vernieuwd.



Al in de jaren '70 bleek dat de veranderingen aan het orgel niet allemaal verbeteringen waren geweest. Het verend sleepsysteem bleek ver van ideaal en de heteluchtverwarming had een funeste invloed op het orgel. 
De verwarming werd veranderd in een warmwatersysteem en er in het orgel bevochtiging was aangebracht, bleek het orgel beter bespeelbaar te blijven. Maar men besloot toen in 1993 de kerk werd gerenoveerd, het orgel mee te nemen in plannen voor verandering. Aart Bergwerff werd aangesteld als adviseur. De uitvoering van de voorgestelde maatregelen werd echter uitgesteld in verband met de benodigde fondsenwerving. 

Het orgel werd in 1996–1997 gerestaureerd door Pels & Van Leeuwen uit ’s-Hertogenbosch. 

Tijdens deze restauratie zijn de wijzigingen uit de periode 1959–1961 grotendeels ongedaan gemaakt, met als doel het orgel dichter bij de eerdere klankopzet te brengen. De firma De Jongh uit Waardenburg had de orgelkas helemaal opnieuw geschilderd en verguld. Op 3 juni 1996 werd met de demontage van het orgel begonnen; half oktober konden de eerste frontpijpen weer teruggeplaatst worden. 

Op 22 februari 1997 werd het instrument opnieuw in gebruik genomen. 




Bronnen: 
  • Berg, R. van den, 'Een stukje geschiedenis van het orgel in de Ned. Hervormde Kerk van Leerdam', jrg. 5 (3 en 4) via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 24-1-2026. 
  • Blom, F.L. "De Grote Kerk te Leerdam" in: ds. H. van Dijk (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 14-15.
  • Bergwerff, Aart, Bätz/Witte orgel Grote Kerk Leerdam (1997)
  • De Gecombineerde, 'Orgel in Grote Kerk speelt weer', 20 april 1963, pag. 2. 
  • Dijk, ds. H. (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 15.
  • "Hervormde Grote Kerk', Kerk-en-orgel.nl. (Laatste update: 2-6-2018). https://kerk-en-orgel.nl/record.php?action=display&id=4255, geraadpleegd 14-6-2026.