In bewerking
![]() |
| Het orgel in Leerdam, mei 1964 Foto: G.Th.Delemarre RKD 98.843 |
Het eerste orgel, ~1615 - 1853
Het eerste orgel van de Hervormde Kerk in Leerdam wordt in de archieven voor het eerst vermeld in verband met bouw- en reparatiewerkzaamheden tussen 1615 en 1625, uitgevoerd door de gerenommeerde familie Kiespenninck. Een vroege en concrete aanwijzing hiervoor is te vinden in de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1615, opgemaakt door de burgemeesters Frans Adriaansz. Cool en Jan Willemsz. Daarin wordt melding gemaakt van een betaling van 200 gulden aan de orgelmaker Kiespenninck, door Frans Adriaansz. Cool voldaan als eerste termijn voor het maken en repareren van het orgel in de kerk van Leerdam.
In de rekening van de stad en het gemeene land van Leerdam over 1620 wordt opnieuw melding gemaakt van een betaling aan meester Kiespenninck: het betreft de laatste termijn van 200 gulden voor het maken van het orgel, vermeerderd met 12 gulden en 10 stuivers aan rente, omdat het bedrag moest worden geleend. Hieruit blijkt dat de werkzaamheden over meerdere jaren waren gespreid, met een eerste betaling in 1615 en de laatste in 1620.
Wanneer deze posten worden samengenomen, kan worden geconcludeerd dat de verbetering van het orgel een totale som van circa 1.200 gulden heeft gekost. Dat was een zeer aanzienlijke uitgave: in 1615 bedroegen de totale stedelijke uitgaven 2.911 gulden en in 1620 3.024 gulden. De stad besteedde daarmee ruwweg een zesde deel van haar begroting aan het orgel, verspreid over meerdere jaren. Het feit dat men zelfs een lening met rente van 6,5 % moest afsluiten om de laatste termijn te voldoen, onderstreept hoe zwaar deze investering woog en hoe hoog men de waarde van het orgel inschatte.
Die waardering blijkt ook uit de keuze voor de uitvoerder. De restauratie werd toevertrouwd aan de familie Kiespenninck, een naam die in de orgelbouw hoog stond aangeschreven. Leden van deze familie, onder wie Albert en Gerrit, waren bekende orgelbouwers en restaurateurs die werkzaamheden uitvoerden in onder meer Dordrecht, Gouda, Nijmegen en Culemborg. Voor Leerdam worden in latere jaren ook Jacob en Hendrik Kiespenninck genoemd, die in 1623 en 1625 nog herstelwerkzaamheden aan het orgel verrichtten. Het ging dus om erkende vaklieden met een brede praktijkervaring.
De status van het orgel en de zorg voor een vakkundige restauratie hangen mogelijk samen met de bijzondere herkomst ervan. In het handschrift van Arn. Buchelius, aangehaald in het 'dagboek van De Wit' (P.M. van Gent), wordt beschreven dat het orgel voorzien was van heraldische versieringen, waaronder het wapen van Egmond, gecombineerd met andere adellijke wapens. Deze duiden op een schenking door Maximiliaan van Egmond en Françoise de Lannoy, schoonouders van Anna van Egmond, de eerste echtgenote van prins Willem van Oranje. Het orgel had daarmee een directe verbinding met het Huis van Oranje, wat de hoge waardering in de stad kan verklaren.
Uit dezelfde beschrijving blijkt dat het orgel bovendien rijk gedecoreerd was, onder meer met een voorstelling van de harpspelende koning David, zoals vaker voorkomt op historische orgels. Bij de verkoop van het oude instrument zou dit beeld ook afzonderlijk vermeld worden.
Tot slot blijkt uit de stadsrekening van 1619 dat het orgel in dat jaar opnieuw werd geschilderd en verguld. Hoewel latere bronnen minder expliciet over vergulding spreken, is duidelijk dat het instrument door de eeuwen heen met zorg werd onderhouden en herhaaldelijk is aangepast aan de veranderende tijd en smaak.
Hoewel hierover geen sluitend archiefbewijs is gevonden, lijkt het erop dat de magistraat van Leerdam zich vanaf het begin het recht had toegeëigend om de organist te benoemen. Dit valt indirect af te leiden uit de kerkelijke verhoudingen in de stad, waarin de rol van het stadsbestuur een duidelijke invloed had op het kerkelijk leven.
De organist had in deze periode een veelzijdige taak. Hij begeleidde de koorzang (later de gemeentezang), speelde voor en na de kerkdiensten en bespeelde het orgel ook op andere momenten in de week. Er werden dus ook concerten gehouden!
In 1630 werd een grote reparatie aan het orgel uitgevoerd. Hoewel de kerkenraad het gebruik van het orgel als weinig stichtelijk en van geringe waarde bestempelde, had zij in de praktijk weinig zeggenschap over het gebruik ervan.
Na de reparatie bleef het orgel echter voorlopig buiten gebruik. De oorzaak daarvan lag niet zozeer in technische problemen, maar in een bestuurlijk conflict over de benoeming van de organist. De magistraat claimde het benoemingsrecht, terwijl de graaf van Leerdam inmiddels de schoolmeester Samuel van der Leyden als organist had aangesteld. Hoewel de magistraat deze benoeming niet kon terugdraaien, kon zij het gebruik van het orgel wel vertragen en bemoeilijken. Uiteindelijk wendde de kerkenraad zich tot burgemeester-ouderling Adriaen Roelants met het verzoek te bemiddelen. De magistraat stelde daarop als voorwaarde dat Van der Leyden eerst haar toestemming moest vragen om het orgel te mogen bespelen. Na verloop van tijd werd een compromis bereikt en kon hij zijn werkzaamheden als organist hervatten.
Ook in de jaren 1653 en 1656 kwam de kwestie opnieuw aan de orde. De magistraat was ontevreden over het optreden van organist Johannes Rijser en verbood hem het bespelen van het orgel. De zaak escaleerde tot bij de Raad- en Rekenkamer van de prins. Tijdens een dienstreis van raadslid Pauw werd de kwestie onderzocht, waarna werd bepaald dat Rijser alsnog betaald diende te worden voor zijn eerdere werkzaamheden. De burgemeesters kregen opdracht zich naar deze uitspraak te voegen. Uiteindelijk werd een praktische oplossing gevonden: Paulus Pietersz. Vos, lid van de magistraat, nam het orgelspel op zich en vervulde deze taak gedurende langere tijd.
Omdat een orgel veel lucht nodig heeft om te kunnen klinken, wordt gebruikgemaakt van een systeem met grote blaasbalgen. Die blaasbalgen kun je zien als de 'longen' van het orgel: ze slaan lucht op en zorgen ervoor dat die gelijkmatig naar de pijpen wordt geleid, zodat het instrument stabiel en zonder haperingen kan klinken. Vroeger moesten deze balgen handmatig worden bediend. Dat werk werd gedaan door een orgelblazer of orgeltrapper, die met de hand of voet de balgen bleef vullen met lucht. Zo bleef de windtoevoer constant en kon de organist ongestoord spelen.
Tegenwoordig is dat werk meestal vervangen door elektriciteit. Een elektrische windmachine zorgt nu voor een constante luchtstroom in de blaasbalgen, waardoor het orgel automatisch en betrouwbaar van wind wordt voorzien. De taak van de orgeltrapper is daardoor nu vrijwel overal verdwenen.
Omdat het orgel vaak een belangrijk en kostbaar stadsinstrument was, hield het stadsbestuur vroeger toezicht op het onderhoud en de werking ervan. Zo werd verzekerd dat het instrument altijd goed functioneerde en bespeelbaar bleef.
Tussen 1713 tot zijn overlijden in 1731 was Antoine Klick organist van de Leerdamse gemeente, als opvolger van Claas Teerhuyse. Zijn naam staat geschreven op het Culemborgse orgel in de St. Barbarakerk in 1720 dat hij beschilderde. Na zijn overlijden in 1731 wordt zijn (huis)orgel te koop aangeboden:
![]() |
| Amsterdamse Courant 25-12-1731 |
Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het orgel in de loop van zijn geschiedenis is verplaatst. Volgens oudere gebruikstradities stond het oorspronkelijk aan de Epistel- of Evangeliezijde van het altaar, dus in het zuidertransept. Dit sluit aan bij de beschrijving van Buchelius, die het orgel situeert “in het koor aan de zuidzijde”.
Het was geen groot instrument, wat ook blijkt uit een mededeling uit 1850 waarin wordt opgemerkt dat het orgel te zwak van toon was. In de vroegere situatie was dat helemaal geen bezwaar, aangezien het orgel in eerste instantie slechts diende ter begeleiding van het koor. In de protestantse eredienst ontwikkelde het zich later tot begeleider van de gemeentezang, een taak waarvoor dit instrument oorspronkelijk niet ontworpen was. Toen in 1760 de behoefte aan sterkere ondersteuning van de gemeentezang toenam, achtte men het wenselijk het orgel te verplaatsen naar de westzijde bij de toren, in het schip van de kerk.
"In dat selve jaar (1760) heb ik in de maand October de Wet, die in de kerk aan den toorn stond afgebrooken en in het oosten geplaatst en het orgel afgebrooken en aan de toorn geplaatst en dat had ik aangenomen voor 55 gulden, maar ik had reykelijk voor soo veel geld aan buytenwerk”.
Men verwachtte dat het instrument daar beter tot zijn recht zou komen en de zang krachtiger zou kunnen ondersteunen. Vooral na de invoering van de psalmberijming van 1773 kreeg het orgel een meer leidende in plaats van begeleidende functie.
Al vóór 1849 stond het orgel op een galerij of oxaal. In de notulen van de kerkvoogdij van de Grote Kerk wordt op 31 januari 1849 vermeld dat, door de toegenomen kerkgang en de verhuur van zitplaatsen, aanpassing van de banken onder het orgel noodzakelijk werd geacht om extra ruimte te creëren. Hoewel dit plan aanvankelijk niet werd uitgevoerd, besloot de kerkvoogdij op 31 december 1850 alsnog tot vernieuwing en verplaatsing van de banken.
Hieruit kan worden afgeleid dat het oude orgel zich toen al in de nabijheid van de laatste pilaren op een galerij moet hebben bevonden.
In 1846 verscheen in de krant een advertentie voor de vacature van organist. Het jaarlijkse salaris bedroeg 250 gulden. Kerkmeester P. Hoolboom benadrukte daarbij dat de kerkelijke gemeente van Leerdam veel waarde hechtte aan een organist die zich in de gemeente zou vestigen en deze functie kon combineren met het geven van muziekonderwijs op piano en andere instrumenten.
![]() |
| Opregte Haarlemsche Courant 18-6-1846 |
![]() |
| Algemeen Handelsblad 21-6-1851 |
![]() |
| Opregte Haarlemsche Courant 22-1-1853 |
![]() |
| Nieuwe Rotterdamsche courant 7-3-1854 |
![]() |
| De Leerdammer, 24 juni 1905 |
![]() |
| De Leerdammer, 6 maart 1920 |
![]() |
| Chr. soc. dagblad voor Nederland De Amsterdammer 15-8-1940 |
![]() |
| De Gecombineerde, 28 juni 1952 |
Organist Akkerman overleed in 1958 en is dus 28 jaar organist geweest.
Tussen 1958 en 1960 onderging de Grote Kerk een ingrijpende restauratie. Op 29 november 1960 kon het kerkgebouw weer in gebruik worden genomen, maar het zou nog ruim twee jaar duren voordat ook het orgel weer bespeeld kon worden. Het orgel werd afgebroken en de onderdelen werden opgeslagen in een niet gebruikte regentenkamer van het Hofje van mevrouw Van Aerden.
Het Bätz-orgel werd in de periode 1959–1961 gerestaureerd door de firma Van Leeuwen uit Leiderdorp. Daarbij werd het instrument aangepast en uitgebreid tot een orgel met twee manualen en pedaal: een Hoofdwerk met 10 stemmen, een Bovenwerk met 8 stemmen en een pedaal met 4 stemmen.
- Berg, R. van den, 'Een stukje geschiedenis van het orgel in de Ned. Hervormde Kerk van Leerdam', jrg. 5 (3 en 4) via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 24-1-2026.
- De Gecombineerde, 'Orgel in Grote Kerk speelt weer', 20 april 1963, pag. 2.
- Dijk, ds. H. (red.), Restauratie en nieuwbouw, uitgegeven ter herinnering aan de restauratie van de Grote Kerk alsmede aan de bouw van de Pauluskerk, beide te Leerdam (1961), pag. 15.
- https://kerk-en-orgel.nl/record.php?action=display&id=4255, geraadpleegd 14-6-2026.
















Geen opmerkingen:
Een reactie posten