Het jaar 1863 bracht ingrijpende veranderingen in Leerdam. De Grote Kerk werd gerestaureerd (zie de vorige blog) en de Kerkstraat en Fonteinstraat werden opnieuw bestraat. Maar voor de inwoners had vooral de komst van de gasfabriek in dit jaar grote gevolgen: huizen en straten konden worden verlicht, op straat werd het veiliger, en werk in de avonduren werd mogelijk.
Deze modernisering maakte het industriële leven in de stad efficiënter: de hout- en glasfabrieken konden langer en productiever werken, en Leerdam zette zo een stap richting een nieuwe, industriële toekomst. De vooruitgang had ook een keerzijde: het industriële tempo legde nieuwe druk op arbeiders, veranderde het dagelijkse leven en de leefgeving. Het stadsritme veranderde.
![]() |
| Bron: beeldbank HVL. De gasfabriek aan de Meent, ws. rond 1910. |
Het eerste initiatief in Leerdam
In 1859 meenden twee ondernemers dat de tijd rijp was voor een gasfabriek in Leerdam. Houthandelaar Pieter Gerrit Schalij (1826-1883) uit Leerdam en zijn zwager Jan Adriaan Montijn (1821-1905) uit Oudewater dienden een verzoek in bij de regering om een 'gazfabriek' te bouwen bij de Blaasbalg, de vroegere naam van de Oranje Nassaulaan. Het terrein lag aan de oostelijke stadsgracht, toen nog bekend als de “kikvorsengracht”, en was dun bebouwd.
Tijdens een raadszitting op 15 augustus 1859 konden omwonenden hun bezwaren naar voren brengen. Sommigen vreesden voor verontreinigd water, anderen voor rook en stank of waardevermindering van hun grond. Schalij antwoordde dat het afvalwater nauwelijks schadelijk zou zijn en dat rook en stank op 30 ellen afstand van woningen verwaarloosbaar waren. Uiteindelijk vond het gemeentebestuur geen bezwaar tegen de fabriek, en op 7 oktober 1859 verleende de koning toestemming. Later werd deze vergunning echter ingetrokken en moest Schalij op een andere locatie opnieuw toestemming aanvragen.
Het tweede verzoek en de oprichting
Op 20 februari 1862 vroeg Schalij (zonder compagnon) opnieuw toestemming voor een gasfabriek, ditmaal met een concreet plan voor straatverlichting met gas. De gemeente Leerdam stemde in met vergoeding van fl. 500 tot 600 per jaar voor 23 gaslantaarns, inclusief verlichting van schoolgebouwen en het raadhuis.
Op 1 januari 1863 ging de overeenkomst met de 'Leerdamsche Gazverlichting-maatschappij' van kracht. Tussen de Bergstraat en Noordwal werd de gasfabriek gebouwd, op het perceeel B2200 en 2240, tegenover de oude Openbare School I.
De architect van het gebouw was de heer Cornelis Schillevis, (1836-1901, zwager van houtfabrikant J.A. Burgers), hij was daarnaast ook een van de oprichters en werd technisch directeur van de gasfabriek).
![]() |
| Nieuwe Rotterdamsche courant, 22-8-1862 |
| Utrechtsche prov. en stads-courant algemeen advertentieblad 22-8-1862 |
![]() |
| Nieuwe Rotterdamsche courant, 22-8-1862 |
![]() |
| Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 23-8-1862 |
De Leerdamsche Gazverlichtingsmaatschappij werd op 28 augustus 1862 te Leerdam opgericht bij notaris Pieter Cornelis Johannes Hondius met als doel het oprichten en exploiteren van een gasfabriek voor gasverlichting; de vennootschap had een maatschappelijk kapitaal van 23.000 gulden, verdeeld in 92 aandelen, die onder meer werden gehouden door oprichters en aandeelhouders zoals Pieter Gerrit Schalij, Antonie Dirk Koppen, Cornelis Sillevis, Johannes Casparus Tukker, Herman Ruben Vogelsang, Nicolaas Donkersloot en Jan Knobel, aangevuld met andere lokale ondernemers en notabelen uit Leerdam en omgeving, en werd aangegaan voor een duur van twintig jaar na Koninklijke goedkeuring.
De grootste aandeelhouders waren Pieter Gerrit Schalij – 12 aandelen, Antonie Dirk Koppen – 12 aandelen, Cornelis Sillevis – 6 aandelen en Johannes Casparus Tukker – 6 aandelen. Ook vrouwen konden aandeelhouder zijn (bijv. Anna Isaäca Schalij, weduwe).
![]() |
| Nederlandsche Staatscourant 12-10-1862 |
Schrijver "A.I." van het tijdschrift "Nederlandsch Magazijn" bezag de Leerdamse vernieuwingsdrang sarcastich. Hij schreef in editie van juli 1862:
“Het Herboren Leerdam”
In den aanvang van dezen Jaargang van ons “Magazijn” heb ik (A.I.) over een provinciestadje een woord gezegd, dat ik mij haast berouwen zou. Naar aanleiding eener fraaije teekening van Jan Weissenbruch, schreef ik eenige regels over Leerdam.
Ik zei daarin, dat de in plaat gebrachte poort vervallen was en gestut werd, dat de straat schier ongeplavied geleek… Dit bragt de gemoederen der brave Leerdammers in beweging; het deed hunne polsen sneller kloppen. Op de societeit werd het artikeltje, waarin Leerdam zoo onregtvaardig aangevallen en verguisd was, besproken en veroordeeld. Op de Zondagochtenden werd er het quadrillere (oefeningen van de schutterij) gestaakt, om zich boos te maken op den ongeroepene, die zoo geheel ten onregte over een “gestutte” poort bazelde; en op de Zondagavonden werden de kaarten nedergelegd, om zich vrolijk te maken over de onnoozelheid van den oningewijde, die van ongeplaveide straten durfde gewagen! Dat wisten de Leerdamsche schoenmakers wel anders! Daarenboven, de balk of pal onder de Steigerpoort, waaraan bij hoogen waterstand de planken plegen bevestigd te worden om de stad voor onderloopen te beveiligen, diende voor heel iets anders, dan om de poort te “stutten”. Nog meer, die poort zou weldra worden omvergehaald, even als de Veerpoort, even als ook de derde poort van Leerdam, de Hoogpoort, indien niet ongelukkig het aan grenzende Jodenkerkhof daartegen bezwaar had doen rijzen.
"Zijn die poorten bouwvallig”, riepen de Leerdammers, “werpt ze dan om!” Verder, de Kerkstraat, de voornaamste straat der stad, werd met groote kosten geheel nieuw geplaveid met flinke, breede, platte keijen, waarop men thans loopt als op een kolfbaan; en een arm der Kerkstraat [nu Fonteinstraat] zal even fraai worden. “Hinderen u”, riepen de Leerdammers, “de oude, ongelijke, zoolbedervende Keijen, rukt ze dan uit!”
Vervolgens, de kerk der Hervormden, de Mariakerk, waarin nog het wapen prijkt van den Engelschen Koning, onzen Prins Willem den Derden, zag er wel wat verwaarloosd uit; doch wat nood! Voor elf duizend gulden werd het “opknappen” van de kerk aanbesteed. Met al de voortvarendheid der opgewekte restauratie-geestdrift werd de hand geslagen aan twee kolommen, die in den weg stonden, en ze werden onder den voet gehaald, op ’t gevaar af, dat het gansche gewelf mogt inzakken. Maar “geen halve maatregelen” was de leus der Leerdammers; “wij zullen der wereld toonen, dat Leerdam geen “vervallen grootheid is!” Gelukkig bleek uit het later ingestelde onderzoek, dat op de twee weggenomen kolommen het gewelf der kerk niet rustte. Preekstoel en orgel, banken en deuren worden insgelijks vernieuwd, de wanden helder wit gestukadoord, en, opdat iedereen, zelfs een ongeroepen schrijver in ’t Nederlandsch Magazijn, zou kunnen zien, hoe net de kruiskerk zal geworden zijn, zullen de kastanjeboomen, die zoolang de kerk met hun poëtisch groen omlijstten, worden omgehouwen. “Geen poëzie!” roepen toch de Leerdammers, “geen poëzie, ten koste der waarheid!”
’t Zou evenwel kunnen gebeuren, dacht men, dat een oningewijde Leerdam ’s avonds bezocht en dan bij ’t licht der olielantaarnen, die “gloeijende spijkers” uit een vorige eeuw, zich niet behoorlijk zou kunnen vergewissen van de flinke bestrating, van de omvergehaalde poorten, van het schoongeveegde kerkplein, van de twee nieuwe pompen uit de Haagsche fabriek van de wed. Sterkman en Zoon, – dat een oningewijde nog zou kunnen twijfelen, in één woord, – of de verlichting wel in Leerdam doorgedrongen was. En daarom, gas!! Reeds zijn de pijpen gelegd, reeds wordt de fabriek opgebouwd, en met oudenjaarsavond hoopt men de helle gasvlammen in Leerdams straten te zien flikkeren. En, zóó opgewonden zijn de Leerdammers in hun vooruitgangskoorts, dat ze nu ook niets meer willen weten van de oude schijnverlichting, en zich liever getroosten tot Sint Sylvester [31 dec.] geen kunstlicht hoegenaamd meer op straat te branden; want gas alleen is waard het herboren Leerdam met zijn glans te omschitteren!
En als dan ook eenmaal het nette societeitslokaal in dien glans zal deelen, het lokaal, waar het nu reeds door den aangebragten ventilator zoo helder en rookvrij geworden is – dan zal men, met het oog op de verfraaide en vernieuwde stad, op het plantsoen buiten de Veerpoort, op de opgeknapte kerk en de nieuwe pompen – en niet minder met het oog op de dertig duizend gulden., die soms op één dag door den uitgebreiden kaashandel op Engeland in Leerdam ontvangen worden, en op den bloei der drie glasblazerijen, die de lucht voortdurend kleuren met haar vurigen rook – dan zal men zeg ik, met het oog op al dien luister en op al die welvaart alle ongeroepenen en oningewijden tarten, die het wagen durven nog van Leerdam als van een “vervallen grootheid” te spreken…. En men zal waarlijk wel gelijk hebben ook!"
![]() |
| Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad 12-1-1863 |
De werking van de fabriek
In februari 1863 werd de gasverlichting ontstoken, begeleid door feestelijkheden. Het was een winderige regenachtige dacht zodat de "illuminatiën niet beter werkten", maar dit mocht de lof en hulde niet hinderen.
![]() |
| Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad 5-2-1863 |
![]() |
| Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 6-2-1863 |
![]() |
| De Vijfheerenlanden, 8-2-1863 |
De fabriek verlichtte eerst 40 straatlantaarns, inclusief die bij het raadhuis en de scholen, en later groeide het aantal tot 48 lantaarns, met verschillende brandtijden afhankelijk van locatie en seizoen. Zo moesten sommige lantaarns op drukke plekken ’s nachts blijven branden, terwijl andere ’s avonds al uitgingen. In de zomermaanden werden lantaarns soms helemaal niet gebruikt, bijvoorbeeld in juni, juli en augustus.
De fabriek verzorgde ook verlichting voor de Lingedijk en de aanlegplaats van de Leerdamse boten. In de fabriek werd het gasverbruik nauwkeurig gemeten met gasmeters, waarvan in 1879 119 aanwezig waren, waarvan 49 werden geijkt.
De Grote Kerk werd van 100 lichten voorzien.
Kolen vormden de belangrijkste grondstof voor de gasproductie. Door ze te verhitten in afgesloten ovens kwam gas vrij, dat vervolgens werd afgezogen en gereinigd. Tijdens dit proces ontstonden bijproducten, zoals cokes (ontgaste kolen), die werden verkocht of opnieuw werden gebruikt om de ovens te stoken. Daarnaast werden ook andere reststoffen, waaronder ammoniak, koolteer en gebruikte ijzeraarde, als handelsproducten afgezet. Over afvalwater en stank is weinig bekend, maar klachten over geur kwamen voor.
Directeur werd Antonie Dirk Koppen (1839-1907), zoon van de voegere burgemeester en wijnhandelaar Hendrik Theodorus Koppen. Tot gasfitter en fabrieksbaas werd broodbakker Antonie Hoegee (1827-1918) benoemd.
De lantaarns werkten met zogenaamde vleermuisbranders, een type brander dat het gas omzet in licht. Gloeikousjes waren nog onbekend. Deze vleermuisbranders konden nogal onregelmatig functioneren, waardoor het soms gebeurde dat een lantaarn niet brandde of flikkerde. In Leerdam leidde dat nogal eens tot klagende reacties. De wisselende betrouwbaarheid van het gaslicht werd vereeuwigd in een ironisch versje:
"O, wat een schande, het gaslicht wil niet branden.
O, wat een eer, het gaslicht brandt alweer.”
In 1865 verscheen het bestuur Naamloze Vennootschap “De Leerdamsche Gasverlichting-maatschappij” voor de notaris om een wijziging in de statuten vast te leggen. Die wijziging heeft betrekking op de uitkering (dividend) per aandeel. Voortaan mag de uitkering maximaal 14 gulden, 37½ cent per aandeel bedragen, en alleen zolang daarna nog voldoende middelen overblijven om een reservekapitaal van 13.000 gulden te vormen. Dit reservekapitaal moest veilig worden belegd door de directie, onder toezicht van commissarissen.
De volgende personen traden op als bestuurders en commissarissen:
- Pieter Gerrit Schalij (1826-1883, houthandelaar) - directeur
- Antonie Dirk Koppen (1839-1907) - directeur-boekhouder
- Cornelis Sillevis (1836-1901, zwager van houtfabrikant J.A. Burgers, architect) – technisch directeur
- Herman Ruben Vogelsang (1827-1882, gemeentesecretaris-burgemeester van Leerdam) – commissaris
- Pieter Hoolboom (1797-1883, landeigenaar) – commissaris
- Christoffel van Tuinen (1807-1884, boekhandelaar) - commissaris
![]() |
| Nederlansche Staatscourant 5-11-1865 |
Verlenging en overname door de gemeente
In 1882 verliep de concessie van twintig jaar. De gemeenteraad besloot deze te verlengen en sloot in 1883 een nieuw contract met de fabriek. Het aantal lantaarns werd uitgebreid naar 48, met verschillende brandtijden afhankelijk van locatie en seizoen. De gemeente betaalde fl. 800 per kwartaal en 8 cent per kubieke meter gas voor gebouwen. De overeenkomst bepaalde ook dat de gemeente na afloop van de concessie het bedrijf kon overnemen tegen een taxatieprijs.
Aan het einde van de 19e eeuw groeide de vraag naar meer verlichting. In 1897 kregen bewoners van nieuwbouwwoningen extra lantaarns; andere aanvragen werden afgewezen, bijvoorbeeld voor particuliere straten.
![]() |
| Nieuwe Gorinchemse Courant 5-3-1882 |
In de Bergstraat waren nog boerderijen met hooiberg aanwezig. In 1890 brak hierin een brand uit die gelukkig op tijd bestreden kon worden. Het mag een wonder zijn dat er in deze tijd geen grote ongelukken gebeurd zijn.
![]() |
| De Vijfheerenlanden, 13-4-1890 |
![]() |
| Leerdamsche Courant, 24-9-1892 |
![]() |
| Leerdamsche Courant, 17-3-1894 |
Het einde van de oude fabriek aan de Bergstraat, bouw nieuwe gasfabriek aan de Meent
In 1901 liep de concessie af, waarna de gemeenteraad besloot de fabriek over te nemen en een nieuwe gasfabriek te bouwen op een perceel aan de Meent westzijde. Deze grond werd in november 1901 gekocht van mevrouw Vogelsang-Saueressig, de weduwe van Hermanus Ruben Vogelsang, een van de oprichters van de gasfabriek en de vroegere burgemeester van Leerdam. Het betrof een perceel moesland van 0,43,90 hectare, waarvoor een bedrag van fl. 3.250,- werd betaald.
![]() |
| De Leerdammer, 27-11-1901 |
De gasfabriek was niet erg rendabel en dus werd er voorafgaand aan deze beslissing een onderzoek ingesteld door de gemeente. Maar de aankoop ging door, het gebouw en de directeurswoning werden ontworpen door gemeente-architect Willem Carmiggelt en er werd begonnen met de bouw. De werkzaamheden werden verricht door de heer Wolff uit Dordrecht voor fl. 3500,-. Waarschijnlijk ging het om aannemer Gerardus Willem de Wolff (1895-1962).
![]() |
| De Leerdammer, 14-5-1902 |
![]() | ||
De Vijfheerenlanden, 17-5-1902
|
![]() |
| De gasfabriek met links ervoor de directeurswoning aan de Meent. |
Op 1 september 1902 leverde de nieuwe gemeentelijke fabriek aan de Meent voortaan het gas. De hele stad was voorzien van een buizennetwerk, net als het fabrieksgedeelte buiten de stad. Het gaslicht verbeterde doordat er nu gloeikousjes waren.
Op 30 december 1902 besloot de gemeenteraad een commissie in te stellen om burgemeester en wethouders te ondersteunen bij het beheer van de gemeentelijke gasfabriek. Tegelijk werd een verordening vastgesteld waarin de taken van deze zogeheten gascommissie werden vastgelegd. Het ging om een vaste commissie van bijstand, bestaande uit een voorzitter (aangewezen uit het college van B&W) en twee leden die door de raad werden benoemd. De heren B.L.A. Duetz en J.W.E. van Schmidt auf Altenstadt maakten hier deel van uit.
In de beheersverordening werd vastgelegd dat de gastarieven 9 cent per kubieke meter bedroegen voor lichtdoeleinden, 7,5 cent voor kook- en verwarmingsgas, 7 cent voor industriële afnemers en 5 cent bij een minimale jaarafname van 12.000 m³.
In die verordening stond overigens een opvallende bepaling: de gascommissie kreeg de bevoegdheid om personeel aan te stellen, te schorsen en te ontslaan en om lonen vast te stellen, nadat de directeur was gehoord. (Later werd ingezien dat deze bevoegdheid juridisch discutabel was. Daarom besloot de raad op 20 april 1928 de commissie met terugwerkende kracht (vanaf 1 januari 1911) te machtigen voor deze personeelsbesluiten. Vanaf dat moment kwamen deze taken weer bij burgemeester en wethouders te liggen. Kort daarvoor, op 17 februari 1928, was het aantal commissieleden al met één uitgebreid.)
Het oude terrein van de eerste fabriek werd rond 1903 gesloopt en gedeeltelijk opnieuw bebouwd. Bij het slopen werden nog resten van vee gevonden dat in de fabriek was verbrand. De Bergstraatschool werd op het perceel gebouwd.
De financiële en technische gegevens van de eerste fabriek zijn helaas grotendeels verloren gegaan. Ook kon ik helaas geen enkele afbeelding van de gasfabriek tussen 1863 en 1902 vinden.
![]() |
| De Leerdammer, 15-8-1903 |
Johan Karel Frederik Blokhuis (1870-1962) werd op 29 maart 1901 benoemd tot directeur van de nieuw te bouwen gasfabriek. Hij was een zoon van de bekende Leerdamse kostschoolhouder Gijsbertus Blokhuis. Hij kreeg een salaris van 1200 gulden per jaar en 7% van de netto winst.
Karel Blokhuis trouwde in 1914 met Elizabeth Hoegee, een kleindochter van Antonie Hoegee, de fabrieksbaas van de eerste gasfabriek aan de Bergstraat. Blokhuis was de eerste die het automatisch aansteken en doven van straatlantaarns toepaste.
![]() |
| De Vijfheerenlanden, 3-4-1902 |
![]() |
| De Leerdammer, 7-3-1903 |
![]() |
| Links de directeurswoning, rechts de gashouder |

![]() |
| Het personeel van de '' gemeente gasfabriek' |
In 1908 werd de heer Siebe Hendrik Bonthuis (1879-1933) uit Utrecht directeur van de Leerdamse gasfabriek. Hij zou tussen 1 oktober 1908 en 1 juli 1913 die functie vervullen.
| De Leerdammer, 3-10-1908 |
Het gas werd steeds meer gebruikt, voor gaskachels, gascomforen en in de industrie, dus de afname nam geleidelijk toe.
![]() |
| De Leerdammer, 11-6-1902 |
![]() |
| De Leerdammer, 14-6-1905 |
![]() |
| De Leerdammer, 3-3-1909 |
![]() |
| De Leerdammer, 15-9-1909 |
![]() |
| De Leerdammer, 24-6-1911 |
In 1918 kwam een nieuw type gashouder tot stand: een droge houder met een inhoud van 2.000 m³. Hierna werd de kleine gashouder van 500 m³ gesloopt en met een bescheiden winst verkocht.
![]() |
| Leeuwarder Courant 2-10-1919 |
![]() |
| De Leerdammer, 16-1-1926 |
![]() |
| De Leerdammer, 14-9-1927 |
In 1943 werd de heer Jacobus van Hoeve directeur van de Gemeente-lichtbedrijven. Door de oorlog liep de gasafgifte opnieuw terug. Half december 1944 moest de productie door kolentekort stilgelegd worden, wat duurde tot 3 augustus 1945.
Na de oorlog volgden diverse uitbreidingen en moderniseringen. Het fabrieksterrein werd vergroot, er kwam een cokesbreek- en sorteerinrichting en een gashouder van 6.000 m³. De beide kamerovens werden vernieuwd, er werd een automatisch werkende watergasinstallatie en een zuiverhuis voor watergas geplaatst, en ook de kantoren en de toonzaal kregen een nieuwe inrichting.
Op verzoek van de glasfabriek, de grootste afnemer, werd een gasfijnzuiveringsinstallatie geplaatst. Hierdoor kon bij de terugwinning van benzol het zwavelgehalte van het gas worden teruggebracht tot een niveau dat onschadelijk was voor de bewerking van kristal. Ook werden de hoofdleidingen in diverse straten vernieuwd en verzwaard en werden veel oude dienstleidingen en gasmeters vervangen.
Op 19 februari 1953 werden overeenkomsten gesloten voor de grootschalige gaslevering aan het Gasbedrijf te Vianen en aan de gemeente IJsselstein, die het gas op haar beurt doorlevert aan de gemeente Vreeswijk en een deel van de gemeente Jutphaas. Via een persleiding werd het gas geleverd waarna het gas werd opgeslagen in een gashouder in IJsselstein. Dit resulteerde in een toename van het gasverbruik van ongeveer 35%.
In 1954 werd het 50-jarig jubileum van de Gemeentelijke Lichtbedrijven gevierd. De heer J. van Hoeve, directeur, hield een toespraak waarin hij refereerde aan de oprichter P.G. Schalij en het oliegasfabriekje in de Bergstraat.
![]() |
| De Gecombineerde, 15-5-1954 |
![]() |
| De Gecombineerde, 20-5-1954 |
![]() |
| De Gecombineerde, 22-5-1954 |
![]() |
| Personeel gasfabriek, datum onbekend. |
In 1955 werd de naam Gemeente-Lichtbedrijven veranderd naar Energiebedrijven der gemeente Leerdam. In de volksmond bleef het bedrijf vaak 'de gasfabriek' heten.
Het gas voor de fabriek werd verkregen door kolen te stoken in een proces dat 'vergassen' werd genoemd. Bij dit proces bleef een residu achter, de zogenaamde schreuven. Op een plek waar gloeiende sintels uit de verbrandingsoven werden gestort, smolten deze schreuven min of meer spontaan samen. Zo ontstond een opvallende sculptuur, die de vorm van drie opspringende beren lijkt te hebben. Dit kunstwerk, bekend als 'De Drie Beren', staat op de hoek van de Stationsweg en de Spoorstraat en vormde de inspiratie voor tal van volksverhalen in Leerdam.
In 1956 werd de oude 'droge gashouder' gesloopt en werd de nieuwe watergasinstallatie uitgebreid.
De heer J.A. Vernout was na de heer J. van Hoeve een periode directeur. Hij werd rond 1969 opgevolgd door de heer M.J. Nieuwenhuize, die in 1978 afscheid zou nemen. Diens opvolger werd de heer Hendrik Willem Blijderveen.
Zwarte dag in de geschiedenis van de gasfabriek
Op 25 november 1959 werd de gemeentelijke gasfabriek in Leerdam rond 8.15 uur ’s ochtends het toneel van een tragische ramp. Tijdens werkzaamheden vond een zware explosie plaats, waarbij twee personeelsleden om het leven kwamen: de 52-jarige hoofdfitter K. Verdoren en enkele dagen later ook de 42-jarige G. van Aalst. Daarnaast raakten meerdere mensen ernstig gewond.
Het incident onderstreepte de grote gevaren van het werken met gasinstallaties. Behalve het verlies van mensenlevens veroorzaakte de explosie ook aanzienlijke schade aan het fabriekspand en de directe omgeving, met name aan de woningen aan de Nieuwenhuizenstraat en de Prinses Julianastraat. De gevolgen waren ingrijpend: de glasfabriek kwam stil te liggen en scholen en diverse bedrijven moesten tijdelijk hun deuren sluiten. Na twee dagen werd de productie in de gasfabriek weer opgestart.
![]() |
| Nijmeegsch dagblad 26-11-1959 |
![]() |
| Gereformeerd Weekblad 27-11-1959 |
![]() |
| Algemeen Dagblad 27-11-1959 |
![]() |
| De Gecombineerde, 7-4-1962 |
![]() |
| De Gecombineerde, 7-4-1962 |
![]() |
| De Gecombineerde, 12-10-1971 |
![]() |
| De Gecombineerde Vijfheerenlanden, 18-1-1989 |
Na de sanering verrijzen op de locatie 120 woningen, waaronder ook een garage met 260 openbare parkeerplaatsen. Met een gemeentelijke subsidie van 726.000 euro wordt het bouwproject financieel ondersteund. Zo veranderde dit oude industriele terrein stap in een leefbare, nieuwe woonwijk.
De gasfabrieken van Leerdam brachten jarenlang warmte, werk en welvaart.
Maar deze ging samen met 'grondige' vervuiling: de schaduwzijde van industriële vooruitgang.
- Bevolkingsregister Leerdam 1850-1861 Hoegee-Bogaard
- Bevolkingsregister Leerdam 1897-1920 Blokhuis
- Bevolkingsregister Leerdam 1897-1920 Van Daalen
- Bevolkingsregister Leerdam 1897-1920 Hoegee
- Bevolkingsregister Leerdam 1897-1920 Mooij
- 'De ontploffing in Leerdam' in: De Gecombineerde, 26-11-1959
- Gent, P.M. van, Leerdam door de eeuwen heen (1937), pag. 375-378.
- Groot, B.J., 'De eerste gasfabriek van Leerdam' via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 26-1-2026.
- "Hoe men vroeger over Leerdam dacht" via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 26-1-2026.
- KIOR.nl, Kunstwerk 'De drie beren', geraadpleegd 26-1-2026.
- 'Ramp te Leerdam eiste tweede slachtoffer' in: De Gecombineerde, 18-11-1959
- Regionaal Archief Zuid-Utrecht, Gemeentebestuur Leerdam, Archief van de commissie voor de lichtbedrijven, aanvankelijk van de gascommissie 1915-1931
- Rijnmond.nl, 'Aanvang sanering grond Leerdam', 6-2-2006, geraadpleegd 26-1-2026.
- Blom, T., 'Vogelsangstraat', via Historische Vereniging Leerdam, geraadpleegd 27-1-2026.






















































