IN BEWERKING
Eeuwenlang vormde de korenmolen op de hoek van de Westwal en Noordwal een vertrouwd onderdeel van het stadsbeeld van Leerdam.
Al vóór de achttiende eeuw werd op deze plek, achter een rondeel op een hoek van de stad, graan gemalen. De zuidwesthoek was eigenlijk de beste plek voor de molen, maar daar lag het kasteel al. De molen kreg dus een plek op de noordwesthoek. (Janik, p. 86)
Het molenrecht werd al genoemd in het stadsrecht dat de Hollandse graaf Willem VI in 1407 aan Leerdam verleende. (Blom, p. 21)
Er is een rekening uit 1466 van Jan van Lesanen en een handvest van 1478 van Catharijn van Gelde waarin de molen al wordt genoemd (Janik, p. 86)


In 1621 werd voor f. 160 een nieuw kamrad geplaatst en een jaar later werd voor f. 430 een nieuw wiekenkruis aangebracht. In 1624 blijkt uit de archieven dat het volledige molenhuis moest worden vernieuwd. Het bestaande gebouw verkeerde toen al in slechte staat en moet dus al op leeftijd zijn geweest. Na een openbare aanbesteding werd het werk voor f. 940 gegund aan Adrianus Meerten van Rossum en Jan Cornelis Stam. In 1627 kregen Cornelis de Bruijn en Cornelis Janszn. van Turenhout de opdracht te controleren of de werkzaamheden volgens bestek waren uitgevoerd. (Janik p. 86-87)
In 1673 bleek dat door de oorlog en door stilstand de steenbalk verrot was en vernieuwd moest worden. Deze kostte toen f. 38. In 1711 bleek de standerdmolen gebreken te vertonen. De rentsmeester moest laten onderoeken of de molen nog gerepareerd kon worden of dat er een nieuwe molen gebouwd moest worden. Dat laatste bleek het geval.
De korenmolen aan de Westwal was eigendom van de Domeinen, het grondbezit van de landsheer (later de prins van Oranje en uiteindelijk de staat).
Vanaf 1654 gold het ‘recht van dwang’ in het graafschap, waardoor inwoners van Leerdam en Acquoy verplicht waren hun koren en graan op de dwangmolen te laten malen, op straffe van boete en arbitraire correctie. (Blom, pag. 22).
Het dagelijks beheer was in handen van een rentmeester, die de molen verpachtte (telkens voor drie jaren), de pacht inde en toezicht hield op zowel het onderhoud als de naleving van de pachtvoorwaarden. De molenaar was daarmee niet de eigenaar, maar de exploitant van de molen. Hij betaalde jaarlijks een aanzienlijke pachtsom en was verantwoordelijk voor het dagelijkse onderhoud en de bedrijfsvoering, terwijl de kosten van grote reparaties doorgaans door het graafschap of de Domeinen werden gedragen.
Deze organisatie onderstreept het grote belang van de molen voor de voedselvoorziening en de lokale economie van Leerdam.
 |
Gevelsteen in de oude molenromp, Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, 1988. Zichtbaar is het wapen van de Gorcumse familie Deijm. |
 |
| Ets. Prentmaker: Philippus van der Schley, naar tekening van: Jan de Beijer, ca. 1739-1817 |
Naast de korenmolen stond van oudsher een grut- of rosmolen; een molen waarbij de aandrijvingskracht werd geleverd door een paard.
Meer info hierover vind je in de blog die ik schreef hierover.
 |
's Gravenhaegse Courant 27-2-1750
|
Archiefstukken laten zien dat de molen regelmatig onderhoud nodig had. Houten onderdelen sleten door weer en wind, de kap moest worden gedekt, de roeden en wieken vergden herstel en ook de maalstenen moesten periodiek worden bijgewerkt of vervangen. Soms werden complete onderdelen vernieuwd. De uitgaven hiervoor konden hoog oplopen. (V.d. Berg)
De molenaar werkte niet alleen. Hij had vaak een knecht in dienst en verrichtte daarnaast allerlei werkzaamheden die met het malen van graan samenhingen. Boeren brachten hun graan naar de molen, waar het werd gewogen en gemalen. Bakkers en brouwers behoorden tot de vaste klanten. Het werk verliep volgens nauwkeurige regels. Voor het wegen, de hoeveelheid meel en de betaling golden vaste afspraken, die regelmatig aanleiding gaven tot discussies wanneer klanten meenden te weinig meel terug te krijgen of te veel moesten betalen. (V.d. Berg)
 |
Leydse Courant 14-3-1804
|
 |
Oprechte Haarlemse courant 17-3-1804
|
 |
Journal du département des bouches de la Meuse (Dagblad van het departement der monden van de Maas) 30-8-1812
|
 |
Nederlandsche staatscourant 15-5-1816
|
Rond 1820 wordt de molen gepacht door Paulus Arij Huijzer, voor f. 1300 per jaar. (Blom pag. 24)
 |
Opregte Haarlemsche Courant 28-9-1819
|
 |
Nederlandsche staatscourant 11-3-1824
|
 |
Nederlandsche staatscourant 29-3-1824
|
 |
Utrechtsche Courant 8-4-1825
|
 |
Nederlandsche Staatscourant 13-4-1827
|
 |
Utrechts volksblad 4-4-1827
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 20-3-1838
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 20-11-1838
|
 |
Nederlandsche staatscourant 2-2-1841
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 22-4-1841
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 14-5-1842
|
Aan de molen waren uitgebreide pachtvoorwaarden verbonden. Daarin stond niet alleen hoeveel pacht betaald moest worden, maar ook hoe de molenaar zich hoorde te gedragen. Hij moest de molen zorgvuldig onderhouden, eerlijk wegen, voldoende malen en zijn klanten gelijk behandelen. Daarnaast golden regels over brandveiligheid, het houden van vee, het schenken van drank en zelfs over het aannemen van personeel. Deze voorwaarden moesten misbruik voorkomen en ervoor zorgen dat de molen zijn belangrijke functie voor de gemeenschap kon blijven vervullen. (V.d Berg)
In de 19e eeuw werd de korenmolen enige tijd bemand door Antonie Cornelis Gerardus de Heus (1803–1869). Hij werd geboren in Wijk bij Duurstede, uit een korenmolenaarsgeslacht. Een kleinzoon van zijn broer stichtte later het bedrijf De Heus Voeders.
Antonie was gehuwd met Maria van Lakerveld uit Ameide. Nadat hij als korenmolenaarsknecht in Heukelum had gewerkt, vestigde hij zich rond 1832 als korenmolenaar in Leerdam.
 |
| Opregte Haarlemsche Courant 15-2-1853 |
 |
Opregte Haarlemsche Courant 4-7-1859
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 5-4-1861
|
 |
Opregte Haarlemsche Courant 30-5-1863
|
Toen zijn zoon Antonie, molenaar te Heukelum, in 1868 naar Amerika vertrok, keerde hij vermoedelijk terug als korenmolenaar in Heukelum. Op 30 september 1869 overleed Antonie de Heus daar op 66-jarige leeftijd.
 |
Algemeen Handelsblad 6 en 8-9-1866
|
 |
Algemeen Handelsblad 24 en 26-10-1866
|
In 1884 werd de korenmolen voor een periode van zes jaar verhuurd aan Jilles Kon (1833–1914). Kon was landbouwer in Lexmond, geboren in Groot-Ammers en gehuwd met Geertje Oosterom (1835–1907). Voor de huur betaalde hij 430 gulden per jaar. Daarnaast huurde hij ook een perceel weiland. (Blom, pag. 28)
 |
Het nieuws van den dag 21-3-1887
|
 |
Het nieuws van de dag 30-7-1896
|


De overheid hield toezicht op het functioneren van de molen. Bij klachten of achterstallig onderhoud werden onderzoeken ingesteld.
In 1889 kreeg Kon vergunning om in een schuur op de hoek van de Westwal en de Bergstraat een gasmotor te plaatsen voor het malen van graan en veevoeder. (Blom, pag. 28)
Met de komst van stoom- en later motoraandrijving verloor de windmolen echter geleidelijk zijn economische betekenis en raakte hij in verval.
 |
De Leerdammer, 30-10-1907
|
 |
De Leerdammer, 2-11-1910
|
 |
| Deze foto dateert van rond 1910-1912, gemaakt door G.J. Exaltus |
 |
Nicolaas Syvert Bastert (1854-1939) schilderde rond 1912 dit stadsgezicht van Leerdam
|
 |
Algemeen Handelsblad 4-1-1914
|

In 1914 werd Adrianus Kon (1864-1927), de zoon van Jilles Kon, officieel eigenaar van de molen. Ook zijn oudste zoon, Jieles Kon (1897-1953) hielp mee in het bedrijf.
 |
| Nederlandsche staatscourant 10-3-1914 |
 |
De Katholieke Illustratie jrg 56, 1921-1922, no. 17, 18-01-1922 |
 |
Het Vaderland 13-1-1922
|
 |
Nieuwsblad van Friesland 17-1-1922
|
Maar dan komt het toch zover: de molen wordt in 1922 onttakeld: de kap, wieken en stelling werden verwijderd, waardoor alleen de stenen romp overbleef.
 |
| Nieuwe Gorinchemse Courant 25-1-1922 |
 |
Arnhemsche Courant 10-3-1922
|
 |
Rotterdamsche Courant 10-6-1922
|
 |
Rotterdamsche Courant 24-12-1921
|
 |
Nieuwe Rotterdamsche Courant 10-7-1923
|
 |
Alg. Handelsblad 19-3-1926
|
 |
| De molenstomp. |
In het bijgebouw, waar vroeger de rosmolen zich bevond, werd nu met een motor gemalen. Molenaar Kon hield daarnaast ook nog koeien, naast de molen bevonden zich een stal en de hooischuur.
Er waren in 1943 nog plannen om de molen te herstellen, maar die gingen niet door.
 |
Dagblad van Rotterdam 23-7-1943
|
 |
Algemeen Handelsblad 28-7-1943
|
In 1952 werd de romp gedeeltelijk afgebroken tot ongeveer baliehoogte. Allerlei bestemmingen kreeg de romp hierna: een lompensorteerbedrijf, een antiekhandel en een tingieterij.
 |
De Gecombineerde, 16-6-1956
|
 |
| De molenstomp |
 |
1988
|
Het laatste restant van de romp werd in 1999 gesloopt en vervangen door een gemetselde nep-romp als herinnering aan de oorspronkelijke molen. De naam van appartementencomplex "Molenburcht" - in 2000 gerealiseerd - herinnert nog steeds aan de oude korenmolen.
Bronnen:
- Berg, R. v.d., "De korenmolen aan de Westwal" in: De Gecombineerde, 8 maart 1980.
- Blom, Teunis, De molens van Leerdam (2013), pag. 21-35.
- Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. A. Kon
- Bevolkingsregister 1897-1920 Leerdam, fam. J. Kon
- Janik, B.A. en H.J. van Rees (red.), De molens van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, van maalwerktuigen tot cultuurmonumenten (1993), pag. 86-87.