15 september 2026

Straatnamendebat over de 'Blaasbalg' in de gemeenteraad (1937)







De Leerdamse gemeenteraad raakte in 1937 verzeild in een straatnamen conflict. Het was een clash tussen het eren van historisch erfgoed, Oranje-symboliek en praktische bewonersbelangen



De Blaasbalg rond 1916




In de gemeenteraad van Leerdam ontstond veel animo voor een debat toen bleek dat de historische naam "De Blaasbalg" weer zou terugkeren in het straatbeeld, ditmaal als een nieuw gebouwde straat met de naam Blaasbalgstraat

Verschillende raadsleden vroegen tegelijk het woord. 

De heer Wasch en ook de voorzitter (burgemeester Hanemaaijer? HT) verdedigden de historische waarde van de naam; Wasch betreurde dat een stuk stadsgeschiedenis was verdwenen en verwees naar het boek Leerdam door de eeuwen heen van Van Gent, waarin staat dat er in 1672 al over de Blaasbalg gesproken werd. Het gaat om een eigenzinnige, zuiver Hollandse naam die op weinig andere plaatsen voorkomt. 

De voorzitter vond het achteraf bezien eveneens onjuist dat de gemeente een naam die al eeuwen voortleefde destijds had gewijzigd, en steunde het behoud ervan in de Blaasbalgstraat. 

De heer Collee was daarentegen verbaasd over de terugkeer van de "vermaledijde" naam en pleitte er liever voor om straten te vernoemen naar het vorstelijk huis, zoals een Prins Bernhardstraat of Prins Mauritsstraat.

De heer De Vries wierp zich op als verdediger van de folklore en wilde de Oranje-Nassaulaan weer herdopen in de oude voormalige naam Blaasbalg. Voor de nieuw geplande straat wilde hij de naam J.C. Rijsdijkstraat gebruiken, vernoemd naar de overleden secretaris. 

De heren Van Dam en Donga waarschuwden echter voor tegenstand van bewoners als een oude naam weer ingevoerd zou worden. 

Bovendien stelde De Vries dat het inwilligen van het eerdere verzoek van de Blaasbalgbewoners een gevaarlijk precedent had geschapen; als bewoners van de Hoogstraat morgen een Piet Heinstraat zouden eisen, zou de raad daar immers ook aan toe moeten geven. 

Naast de Blaasbalg kwamen ook de Burgemeester Meesstraat en de Jan van Arkelstraat aan bod. Omdat aan het Burgemeester Meesplein niemand woont, vond men het gepast de straat bij het ziekenhuis de Burgemeester Meesstraat te noemen en de naam Meesplein later eventueel aan de Tiendweg te geven. Tegen de naam Jan van Arkelstraat bleek zelfs bij de heer Collee geen enkel bezwaar te bestaan.

Uiteindelijk werd er per straat afzonderlijk gestemd over de voorstellen. 

  • De naam Burgemeester Meesstraat werd aangenomen met 11 tegen 2 stemmen (waarbij de heren Van Dam en Collee tegen stemden). 
  • Tegen het raadsvoorstel om een nieuwe straat de Jan van Arkelstraat te noemen bestond geen enkel bezwaar, waardoor deze beslissing vastkwam te staan. 
  • Bij de Blaasbalgstraat liep het echter anders: het voorstel om in plaats van de Blaasbalgstraat de naam J.C. Rijsdijkstraat te gebruiken werd aangenomen met 10 tegen 3 stemmen (tegen stemden de heren Kloek, Collee en Van Dam). Hiermee werd de Blaasbalgstraat dus afgewezen ten gunste van de Rijsdijkstraat. 

Na deze uitslag trok de heer De Vries zijn verdere voorstel tot hergeboorte van de Blaasbalg in tot de behandeling van de begroting, waarna de voorzitter concludeerde dat B. en W. het punt over de Blaasbalg op de volgende vergadering opnieuw aan de orde zullen stellen.

Van een hernieuwde behandeling van het onderwerp in de daaropvolgende vergadering heb ik echter niets kunnen vinden.



De Leerdammer, 9 oktober 1937






















Wat ging hieraan vooraf?


De straat Blaasbalg lag decennialang aan de noord-oostelijke kant van het centrum van Leerdam, parallel aan de voormalige oude stadsgracht langs de Oostwal. 

In 1934 was, op aandringen van de bewoners zèlf, de straatnaam Blaasbalg veranderd in Oranje-Nassaulaan

De bewoners hadden daarvoor een verzoek aan de gemeenteraad gestuurd. 


De Leerdammer, 16 juni 1934
De Leerdammer, 16 juni 1934









Een 'oude Leerdammer' klom in de pen en stuurde een hartstochtelijk pleidooi voor het behoud van de 'Blaasbalg':


De Leerdammer, 28 juli 1934





































Al snel kwam er een reactie van een van de Blaasbalg-bewoners. Zij hadden gemerkt dat de naam ‘Blaasbalg’ bij buitenstaanders regelmatig tot verbaasde blikken en vragende gezichten leidde.


De Leerdammer, 1 augustus 1934














































En zo gebeurde het dat op de gemeenteraadsvergadering van 31 juli 1934 het volgende punt op de agenda stond: 


De Leerdammer, 28 juli 1934















Als dank voor dit besluit ontving de gemeenteraad destijds een schrijven van de heer A. Bikker (vermoedelijk aannemer Arie Bikker (1867-1938)), namens de ondertekenaars van het eerder ingediende verzoek. In een brief van 11 augustus 1934 sprak hij zijn waardering uit voor de naamswijziging: "no. 244, tot goedkeuring van begrootingswijziging no. 7 van 1934."









Dat het de gemeenteraad achteraf tóch speet, is terecht mijns inziens.

Amateur-historicus Reinier van den Berg schrijft in een krantenartikel in 1987 over de Blaasbalg dat in de oudste bewaard gebleven stadsrekeningen uit 1615 al wordt gesproken over onderhoudswerk aan de dijk bij de Blaasbalg. 

Ook in een Leerdamse stadrekening van 1672 stond de straat vermeld: Aert Hendrikszoon wordt betaald voor zijn werkzaamheden aan de stadsdijk, bij de Blaesbalck buiten de Schoonderwoertsche Poort.

Comt Aert Hendrikse Buys arbeyder over arsbeytsloon en de daggelden in ’t maecken van de Stadsdyck om de Blaes-balck buyten de Schoonderwoertsche poort, volgens cadel-le XIV gulds. XZVY st.

In de Leerdamse stadsrekeningen wordt de Blaasbalg dus al in de vroege zeventiende eeuw genoemd. Ook in andere plaatsen komt de naam voor, zoals in Culemborg en Leersum.

De naam Blaasbalg

Wat de naam Blaasbalg, ook wel Blaasbalk, oorspronkelijk precies betekende, wist men in Leerdam lange tijd niet zeker. 

Amateur-historicus Van den Berg vermoedde dat de benaming in de volksmond is ontstaan en vraagt zich af of zij verband hield met de vorm van het daar aanwezige water. Ten oosten van de Blaasbalg lag een waterkerend dijkje, dat de gemeente al in 1615 onderhield. Het moest het kwelwater vanuit de Horndijk tegenhouden. De Blaasbalg was dus een lage kade die het kwel- en regenwater van de landerijen in de polder Oud-Schaik moest keren. Dat zien we ook terug in de oude stadsrekeningen. Daarin staan regelmatig betalingen voor het ‘bewaren’ van de Blaasbalg. De kade moest goed worden onderhouden en mocht niet doorbreken, zodat het water niet de omliggende landen in kon stromen.

In de achttiende eeuw komen we daarnaast een tuin of hofje met de naam De Blaasbalg tegen. Later werd ook de weg langs de kade zo genoemd. De uitdrukking ‘achter de Blaasbalg om gaan’ bleef onder oudere Leerdammers nog lange tijd bestaan, ook toen men waarschijnlijk niet meer aan de oorspronkelijke kade en het water dacht.

In Leerdam nemen veel mensen aan dat de Blaasbalg en houtzagerij Varsseveld aan elkaar verbonden zijn. Zo staat er in de krant in 1982 een ingezonden bijdrage met het citaat: "De Blaasbalg heette zo, omdat de eerste horizontale vuurgangketel op de binnenwerf met houtafval werd gestookt en het vuur met een enorme blaasbalg aangeblazen werd." 

Maar Varsseveld ontstond pas rond 1781, aan het einde van de achttiende eeuw. En we zagen hiervoor dat de Blaasbalg al werd genoemd in de Leerdamse stadsrekeningen uit de zeventiende eeuw. Daarmee valt de voorgestelde verklaring eenvoudigweg niet te rijmen met de bronnen.


De naam en de vorm van een perceel

In de toponymische literatuur wordt Blaasbalg/Blaasbalk gebruikt voor min of meer trapeziumvormige, taps toelopende percelen. De vorm van zo’n perceel doet denken aan een ouderwetse blaasbalg: breed aan de ene kant en spits aan de andere. Het echtpaar C. H. Edelman en A. W. Edelman-Vlam beschreef dit al in 1966 in hun onderzoek naar de relatie tussen namen en vormen van percelen in het rivierkleigebied. Zij noemen verschillende plaatsen waar blaasbalg of blaasbalk werd gebruikt voor dergelijke percelen, onder andere Brakel, Ingen, Ochten, Dreumel en Ewijk.

Een mooi oud voorbeeld vinden we bij Woudrichem. Van Andel noemt daar ‘den Blaesbalch’, een naam die al in 1554 en 1616 voorkomt. De betreffende boerderij stond aan het uiteinde van een taps toelopend perceel. Ook daar lijkt de naam dus naar de vorm van het perceel te verwijzen. 

Dat maakt deze verklaring voor Leerdam aannemelijk. De vorm van het oorspronkelijke perceel of gracht rond de Blaasbalg deed denken aan een blaasbalg, het werktuig waarmee een smid zijn vuur aanwakkerde.

Humoristisch eigenlijk wel: de naam Blaasbalg past dus wel bij de látere geschiedenis van het smidsvuur bij houtzagerij Varsseveld!


Jan Luyken, De Blaasbalk, 1711. 
Ets, proefdruk, uit Het leerzaam huisraad (Amsterdam).
Bron: Rijksmuseum.



































Stadsplattegrond Leerdam, 1600-1650, 
met links buiten de stadswallen: de Blaasbalg.
collectie Hingman 3345 Nationaal Archief NL-HaNA_4.VTH_3345
























Rond 1884 wordt een gedeelte van de Blaasbalg voorbereid als terrein voor houthandel Varsseveld. 


Advertentieblad 21-3-1884

























Aan de voet van de Oostwal lag vroeger een gracht, de Kikvorsengracht, die volgens Van den Berg ook als de Blaasbalg werd aangeduid. Deze watergang is rond 1892 gedempt en bij de ingebruikname van de binnenterreinen van de glasfabriek Varsseveld opgevuld met kolenas. In 1904 werd besloten het 'grachtje' bij de Blaasbalg te dempen. 
Bij werkzaamheden aan het parkeerterrein aan de Oranje Nassaulaan was de vroegere situatie nog duidelijk zichtbaar: langs de Oostwal lag eerst een gedempt stuk water van ongeveer vijftien meter breed, vervolgens een ongeveer even brede strook land en daarna opnieuw een gedempte sloot van circa tien meter breed. Die laatste watergang zou de Blaasbalg zijn geweest.

Van den Berg ziet overeenkomsten met de situatie aan de noordzijde van de stad. Ook daar lag langs de Noordwal een gracht, gevolgd door een smalle strook land en vervolgens de Meentvliet. Aan de westzijde van Leerdam was een dergelijke situatie niet aanwezig, omdat de afwatering daar via de vlieten naar de molens langs de Linge verliep.

Ten oosten van de Blaasbalg lag bovendien een dijkje in de polder Oud-Schaik, dat al in 1615 wordt genoemd. Hoewel het geen gewone polderdijk was, werd dit waterkerende dijkje door de gemeente onderhouden, omdat het het kwelwater dat door de Horndijk kwam, moest tegenhouden. In de stadsrekeningen wordt regelmatig melding gemaakt van verhogingen van de dijk. De benodigde grond werd aangevoerd vanuit de Steenwaard, het huidige buitendijkse terrein van Varsseveld. In 1709 moest de kade bovendien met rijshout worden versterkt, waarbij maar liefst 82 bossen lang rijshout werden gebruikt, waarschijnlijk omdat de kade door een doorbraak was beschadigd.


Helaas keerde de historische naam De Blaasbalg niet meer terug in de Leerdamse topografie.

Na het verdwijnen van de houtindustrie (waardoor de straat altijd vol zaagsel en krullen lag) werd de Oranje-Nassaulaan aan beide zijden bebouwd. 

Toch leeft de oude naam nog steeds voort. Echte oud-Leerdammers noemen de plek nog altijd de ouwe Blaasbalg.





























Meer foto's zijn te zien op de beeldbank van de Historische Vereniging.


Bronnen:
  • Andel, Bas van, "Etymologica: De Blaasbalg en andere toponiemen voor scheve percelen" (2024), geraadpleegd d.d. 15-09-2026 via Neerlandistiek.nl.
  • Berg, R. v.d. "De stad en zijn plattegrond" in: De Gecombineerde 15 september 1979.
  • Berg, R. v.d., "Achter de Blaasbalg omgaan" in: De Gecombineerde 23 september 1987.
  • De Leerdammer, "Agenda voor de openbare vergadering van den Raad der gemeente Leerdam, te houden op Donderdag 27 September 1934, des namiddags 7 uur, in de Raadzaal" in: De Leerdammer, 22 september 1934.
  • Edelman, C.H. & A.W. Edelman-Vlam, "De relatie tussen naam en vorm van percelen in het rivierkleigebied" in: Boor en Spade 15 (1966), pag. 17, geraadpleegd 15-09-2026 via Edepot.wur.nl.
  • Leede, van der, "Oud-Leerdam hoort in de Oudheidkamer" in: De Gecombineerde 17 september 1960

14 september 2026

Het Schavet – van watergang naar straatnaam


Wie tegenwoordig door het Schavet in Leerdam loopt, zal niet snel bedenken dat deze naam herinnert aan een watergang of riolering. Toch is dat precies wat de geschiedenis van het Schavet zo interessant maakt.

Het Schavet is tegenwoordig een straat in het centrum van Leerdam, tussen de Bergstraat en de Nieuwstraat. Eeuwen geleden zag dit deel van de stad er echter heel anders uit. Hier lagen tuinen, achtererven, en greppels en slootjes een belangrijke rol speelde bij de afwatering en begrenzing van de stad.

Leerdam ligt aan de Linge, op een oeverwal die hoger ligt dan het omliggende veengebied. De oudste bebouwing ontstond op deze relatief hoge grond. Het lager gelegen gebied maakte een goede afvoer van overtollig water noodzakelijk. In en rond de stad lagen daarom grachten, sloten en andere watergangen. Het Schavet kan oorspronkelijk zo'n watergang zijn geweest.



Arie de Klerk beschreef in 1988 deze mogelijkheid. Volgens hem kan het Schavet zijn ontstaan uit een natuurlijke afwateringslaagte langs de rand van de oeverwal waarop de oudste bebouwing van Leerdam ontstond. Het hoogteverschil tussen de oeverwal en het lager gelegen veengebied maakte deze plek geschikt voor de afvoer van overtollig water. Mogelijk werd de natuurlijke waterloop later door de mens aangepast of uitgegraven. Zo zou het Schavet zijn ontstaan als een watergang tussen de Nieuwstraat en de Kerkstraat, die uiteindelijk ook werd gebruikt voor de afvoer van vuil en afvalstoffen. 



4.KADOR-R minuut- en vervolg-minuutplans van de Dienst van het Kadaster
en de Openbare Registers: directie Zuid-Holland, district Rotterdam,
inv.nr. 665 Leerdam sectie B2, 1817-1832 




















Een grens in de oude stad

De oude stad lag op de hogere oeverwal langs de Linge. Ten noorden daarvan bevond zich lager gelegen terrein. Een watergang kon daardoor een natuurlijke scheiding vormen tussen het reeds bebouwde gebied en het terrein dat nog moest worden ontgonnen of bebouwd.

Ook amateur-historicus Reinier van den Berg (1910-1989) ging hierop in. In een krantenartikel uit 1979 probeerde hij aan de hand van oude kaarten en de nog aanwezige bebouwing de vroegere situatie van Leerdam te reconstrueren. Volgens zijn interpretatie liep het Schavet achter de kerk door de tuinen tussen de Kerkstraat en de Nieuwstraat en stond het in verbinding met de gracht bij de Westwal.

Het Schavet kan daarmee een grens hebben gevormd tussen de erven aan de Kerkstraat en het aanvankelijk nog onbebouwde gebied ten noorden daarvan. Mogelijk had de watergang bovendien een functie als kwelsloot of gracht.


Open riolering

In de loop van de tijd veranderde de functie van het Schavet. Zoals veel oude steden kende ook Leerdam vroeger open rioleringen. Dit waren in feite sloten die werden gebruikt voor de afvoer van water en afvalstoffen.

Een dergelijke open afvoer liep als grens tussen de achtertuinen van de huizen aan de Kerkstraat en de Nieuwstraat. Vanaf de Vliet langs de Vlietskant liep de watergang dwars over de Fonteinstraat en kwam uiteindelijk uit in de gracht aan de Westwal. 

Waarschijnlijk was de kruising met de Vlietskant en de Nieuwstraat al eerder als een gedeelte van de riolering uitgevoerd. Later kwam de Vliet langs de Vlietskant te vervallen en was men voor de afvoer geheel aangewezen op de Westgracht.

Omstreeks 1840 was deze afvoer nog volledig een sloot. Deze sloot droeg de naam het Schevet en vormde tevens de afscheiding langs het kerkhof achter de kerk.


De naam Schevet of Schavet

De naam zelf heeft onderzoekers lange tijd voor een raadsel gesteld. In bronnen komen verschillende schrijfwijzen voor, waaronder Schavet en Schevet.

De Historische Vereniging Leerdam besteedde in haar verenigingsblad zelfs een reeks artikelen aan de vraag „Schevet of Schavet?”. Daarin worden verschillende verklaringen voor de naam besproken.

Een van de verklaringen zoekt de oorsprong in het Franse woord chevet. In de architectuur duidt dit op het uiteinde of koor van een kerk. Volgens deze theorie zou de naam oorspronkelijk betrekking hebben gehad op het gebied rond het koor van de kerk en het aangrenzende kerkhof. Een aanwijzing daarvoor is te vinden in een archiefstuk uit 1770. Daarin wordt gesproken over een betaling aan de koster voor het openen en sluiten van de hekken van het Schavet. Volgens oude kaarten was het kerkhof destijds ommuurd. Het Schavet zou in deze betekenis dus de naam kunnen zijn geweest voor het gebied bij het koor en het omliggende kerkhof.

Een andere verklaring zoekt de oorsprong juist in het water. Zo is geopperd dat Schavet verwant kan zijn aan Scheiwed, een waterloop die een scheiding vormde. Het woord wed zou daarbij betrekking kunnen hebben op water, een poel of een drinkplaats. Deze verklaring is aantrekkelijk omdat een watergang inderdaad een natuurlijke grens kon vormen.

Ook de term "stadsgewed" is in dit verband genoemd. Volgens Dick Haagsmans publicatie in 2022 zou Schavet een afkorting of verbastering van dit woord 'stadsgewed' kunnen zijn. Een gewed of wed kan worden opgevat als een watergang, greppel of waterige laagte. In die betekenis zou het Schavet de stadsgreppel of 'statssloot' zijn geweest.

Deze verklaring sluit aan bij andere oude benamingen die in Leerdam en omgeving voorkomen, zoals gewed en gruppel. Bovendien is ook in Asperen een 'schavet' bekend, rechts naast villa Suter; nog steeds een watergang.


Het Schavet in de kerkelijke rekeningen

Dat het Leerdamse Schavet al vroeg als watergang of afvoer werd gebruikt, blijkt uit kerkelijke rekeningen.

In rekeningen uit de 17e eeuw wordt al een uitgave vermeld met de aanduiding: „het Schevet gemaakt”. Later wordt ook melding gemaakt van het uitbaggeren van het Schevet. Deze vermeldingen laten zien dat het Schavet in die tijd onderhoud vergde en daadwerkelijk als afvoer functioneerde.

Toen de heren IJzerman en Koppen (de achterburen van het schavet) eens aanboden om het Schavet langs het kerkhof op eigen kosten te rioleren, wees de kerkvoogdij dit aanbod blijkbaar af. 

Uiteindelijk is men toch overgegaan tot het aanleggen van een gemetselde riolering.

Het oude Schavet verdween daarmee geleidelijk als open sloot uit het straatbeeld, maar de oorspronkelijke waterloop bleef als riool bestaan.


Van sloot naar riool

De oudste riolering van Leerdam wordt doorgaans gedateerd op omstreeks 1900. In het centrum van de stad werd toen een rioleringsstelsel aangelegd. De aanleg moet worden gezien tegen de achtergrond van de modernisering van Leerdam aan het begin van de twintigste eeuw.

In 1868 had de adjunct-inspecteur de burgemeester en wethouders van Leerdam op de noodzaak van verbetering gewezen. Tijdens de cholera-epidemie was gebleken dat de meeste zieken in de omgeving van het Schavet woonden. De gemeenteraad liet daarop weten dat de ‘aangewezen slob’ inmiddels voor driekwart was overkluisd en binnen afzienbare tijd geheel in een riool zou zijn veranderd.

Het Geneeskundig Staatstoezicht was in 1868 nog maar een paar jaar actief. Er kwam daardoor steeds meer aandacht voor de gezondheid van mensen en voor problemen die zich lokaal voordeden. Ook in Leerdam werd gekeken naar situaties die gevolgen konden hebben voor de volksgezondheid. Het verhaal over het Schavet is daar een voorbeeld van.


Verslag aan den Koning van de bevindingen en handelingen 
van het Geneeskundig Staatstoezigt in het jaar 1868
01-01-1868










De gezondheidscommissie, de stank van de grachten en greppels, het gebrek aan schoon drinkwater en de aanleg van riolering staan herhaaldelijk op gemeenteraadsagenda:


Nieuwe Gorinchemsche Courant 24-8-1882
De Vijfheerenlanden, 8 mei 1890


















Leerdamsche Courant, 18 juni 1892




























Leerdamsche Courant, 9 september 1893

























De Leerdammer, 2 maart 1895

















De raad bespreekt in 1895 de demping van de gracht langs de Noorderwal en de aanleg van riolering. Na discussie over de vertraging en de kosten wordt besloten de gracht zo spoedig mogelijk te dempen en buizen van 40 cm te gebruiken.

Daarna werd de invoering van een tonnenstelsel voor de afvoer van faecaliën besproken. Het tonnenstelsel was een systeem voor de inzameling en afvoer van menselijke uitwerpselen. Inwoners gebruikten hiervoor een speciale ton, die regelmatig werd opgehaald. Het doel was vooral hygiëne te verbeteren en vervuiling van riolen, grachten en wateren te voorkomen. Het voorstel wordt na discussie met 7 tegen 3 stemmen aangenomen.

In 1897 lezen we van het dempen en rioleren van de sloot tussen 't Fortuin (huidige locatie: Dr. Voogdplein) en de Blaasbalg. In datzelfde jaar wordt ook besloten de sloot tussen de Vlietskant en de Blaasbalg te dempen. 


Leerdamsche Courant, 2 juni 1897
Leerdamsche Courant, 27 maart 1897









De Leerdammer, 25 januari 1908
De Leerdammer, 5 februari 1908












Toen Johan Rudolf Mees (1882-1936) in 1914 op 31-jarige leeftijd tot burgemeester werd benoemd, trof hij een gemeente aan die door een jarenlang behoudend beleid een achterstand had opgelopen ten opzichte van andere gemeenten. Onder zijn leiding werd een flinke inhaalslag gemaakt. Zo kwamen er nieuwe riolering, een school, betere bestrating en trottoirs en werd Leerdam aangesloten op het elektriciteitsnet.

Ook op het gebied van de riolering veranderde er in de jaren daarna veel. Tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog werd het centrum van Leerdam en een deel van Leerdam-West verder van riolering voorzien. Deze verbeteringen waren een belangrijke stap in de ontwikkeling van de hygiëne en leefbaarheid van de stad.

Toch betekende de aanleg van nieuwe riolering niet dat de oude watergangen meteen verdwenen. De naam Schavet of Schevet komt in de krantenarchieven over Leerdam nauwelijks voor. Maar waarschijnlijk bleef het oude Schavet nog lange tijd als riool in gebruik. Ondanks de aanleg van nieuwe riolering in onder meer de Kerkstraat en de Nieuwstraat bleven verschillende percelen op het oude riool aangesloten. Het aanleggen van nieuwe riolering onder bestaande huizen naar de straat was immers een ingrijpende en kostbare onderneming.

Ook rond 1960 was er aan de oppervlakte nog maar weinig van het oude riool te zien. In enkele achtertuinen waren nog putten aanwezig en in de Fonteinstraat en aan de Westwal herinnerden enkele aansluitingen aan de vroegere watergang. Het oude riool was inmiddels aangesloten op het moderne rioleringsstelsel, waarbij het afvalwater via het rioolgemaal werd afgevoerd. Van de oorspronkelijke open sloot was daarmee in het straatbeeld vrijwel niets meer over.

Een andere oude watergang, de Meentvliet, bleef echter nog veel langer als riool in gebruik. Tot in de jaren zeventig werd deze gebruikt voor de afvoer van afvalwater. Dat zorgde regelmatig voor stankoverlast en leidde dan ook tot klachten van omwonenden.

De geschiedenis van het Schavet laat daarmee mooi zien hoe Leerdam in de loop van de twintigste eeuw veranderde: oude open watergangen maakten geleidelijk plaats voor een modern rioleringsstelsel, al bleven sommige oude voorzieningen nog tientallen jaren in gebruik.


De ontdekking in 1992

In 1987 werden in Leerdam plannen gemaakt voor de aanleg van een nieuw riool. Het riool onder de Noordwal, bestaande uit een gresbuis, en het schavet, een gemetseld riool dat tussen de Kerkstraat en de Nieuwstraat lag, kwamen vanwege hun ouderdom en slechte toegankelijkheid als eerste in aanmerking voor vervanging.

Tijdens de aanleg van nieuwe riolering Achter de Kerk in 1992 kwam een gedeelte van het oude Schavet opnieuw aan het licht.




Het bleek te gaan om een gemetseld riool met een toogconstructie. De afmetingen varieerden van ongeveer 0,6 × 0,6 meter tot 1 × 1 meter. Daarmee werd zichtbaar hoe omvangrijk de oude water- en afvoerstructuur was geweest.

Het Schavet liep vanaf de Fonteinstraat in de richting van het Oranjeplein en vervolgens naar De Looierij, de huidige Singel. Daar mondde het uit in de Maalvliet.

De vondst van dit gemetselde riool bevestigde dat de oude watergang in de loop der tijd was veranderd in een ondergrondse afvoer. Wat ooit een open sloot was geweest, had daarmee een nieuwe functie gekregen binnen het moderne rioleringsstelsel.


Een naam die bleef bestaan

Wie nu door het centrum van Leerdam loopt, ziet geen sloot of open watergang meer tussen de rond de Kerkstraat, Nieuwstraat en Bergstraat. De ruimte is volledig opgenomen in het bebouwde stadscentrum. 

De precieze oorsprong van de naam 'Schavet' blijft onzeker. Het meest waarschijnlijk is de verwijzing naar een watergang of stadssloot, mogelijk verwant aan gewed, wed, Scheiwed of stadsgewed. Een definitief antwoord is waarschijnlijk niet meer te geven. Wel is duidelijk dat de naam Schavet al eeuwenlang met deze plek in Leerdam verbonden is. 

Daarbij moeten we de oude watergang en de huidige straatnaam niet met elkaar verwarren. De oude Schavet liep van de huidige straat Achter de Kerk door naar de Westwal. 

De huidige Schavet is een korte straat tussen de Nieuwstraat en de Bergstraat. De straatnaam herinnert dus aan de verdwenen watergang, ook al ligt de straat niet op het oude tracé.

Zo is de oude watergang uit het zicht verdwenen, terwijl de naam is blijven voortleven. Het water zelf is verdwenen, maar de naam herinnert nog aan de tijd waarin sloten en watergangen het karakter van de stad mede bepaalden.


Bronnen:

  • Berg, R.v.d., "Een stad en zijn plattegrond", in: De Gecombineerde, 15 september 1979, pag. 15.
  • Gemeente Vijfheerenlanden, "Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent riolering", geraadpleegd d.d. 12-9-2026
  • Gent, P.M., Leerdam door de eeuwen heen, (1933), pag. 37.
  • Haagsman, Dick, Leven binnen de Leerdammer vrijheid (2022), pag. 243-245.
  • Habitant, "Brieven 1 - Een Leerdammer zegt er het zijne van" in De Gecombineerde 1 jui 1971.
  • Klerk, Arie de, "Mileuproblemen", in jrg. 8 nr. 2 (1988), geraadpleegd via website HVL.
  • Klerk, Arie de, J.A. de Wit, B.J. de Groot en Adr. Bullée, "Over de oorsprong en de betekenis van het woord “Schevet” of “Schavet”" (1988) geraadpleegd via website HVL.
  • Leede, van ter, "Oud-Leerdam hoort in de Oudheidkamer" in: De Gecombineerde, 28 januari 1960, pag. 4. en De Gecombineerde, 27 februari 1960, pag. 12.
  • Schoemaker, Peter, "Leerdams oudste riolen aan vervanging toe" in: De Gecombineerde 11 december 1987, pag. 3.
  • Steijgerwalt, Herman, "Leerdam volgens Harm Walt, " in: Extra Nieuws Leerdam, 31 mei 2000, geraadplegd via Eriks website.



26 augustus 2026

Wilhelminakade (~1899-2002), herinneringen aan een verdwenen straat


Wilhelminakade, voor 1922.
Uitgave van J.W. de Veer te Leerdam


















Ook de Wilhelminakade, aangelegd tussen de Meent, Noordwal en spoorlijn, is een van de eerste woningbouwprojecten buiten de gesloopte stadsmuren voor glasfabriekarbeiders.

De Wilhelminakade is in elk geval vóór 1905 aangelegd, waarschijnlijk rond 1899 - als uitbreiding van de Nieuwenhuijzenstraat (zie mijn vorige blog). 

In 1899 werd namelijk een uitbreiding van de Nieuwenhuijzenstraat gerealiseerd voor 22 arbeiderswoningen. Het zou in mijn ogen goed kunnen dat dit later de Wilhelminakade werd. Maar zeker het is het niet; de straat zou uit wel 70 huisnummers gaan bestaan, even en oneven nummer tegenover elkaar. 




De Vijfheerenlanden,
1 februari 1899



















De Wilhelminakade lag direct aan het water, met daarachter het Recht van Ter Lede. Waar nu een drukke weg ligt, liep toen nog een rustig paadje.


De Leerdammer, 16 mei 1906
De hoek Meent/Wilhelminakade










































De Maasbode 18-07-1914














De Leerdammer, 3 september 1921

















Rond 1916 werden, dankzij de beschikbaarstelling van grond en materiaal door de witglasfabriek, school- en kindertuintjes aangelegd langs de Wilhelminakade. Op onderstaande foto zien we Willem de Stigter (1880-1945), onderwijzer aan de Tiendwegschool, met zijn leerlingen.



De zogenaamde "kindertuintjes" voor de Wilhelminakade




















Floralia; algemeen Nederl. advertentie-blad, betreffende tuinbouw,
bloementeelt, boomkweekerij, landbouw, veeteelt, jacht, visscherij
en fruithandel, jrg 37, 1916, no. 44, 03-11-1916

















De Leerdammer, 17 mei 1916






























































Deze foto is genomen vanaf de Stationsweg.
De huizen rechts staan aan de Wilhelminakade.
Op de achtergrond zie je de molen aan de Westwal.


























Tussen parallel aan elkaar gelegen straten Nieuwenhuizenstraat en Wilhelminakade lag een steegje, waarop de achtertuinen van de woningen uitkwamen.






De Leerdammer, 17 september 1936









De Leerdammer, 6 april 1937












De broers Van Weenen poseren in de Wilhelminakade ter gelegenheid van hun 50-jarige werkjubileum bij de glasfabriek. 


De Leerdammer, 30 september 1939























In 1939 waren er soldaten gemobiliseerd in de Nieuwenhuijzenstraat en Wilhelminakade, die zo te lezen een hartelijk onthaal hebben genoten.


De Leerdammer, 14-11-1939
De Leerdammer, 30-11-1939























Nieuwe Tielsche Courant, 23 juni 1945



















Saneringsplan Gemeente Leerdam, februari 1970, uitsnede
Kwaliteitskaart deel bebouwde kom
Regionaal Archief Zuid-Utrecht 594_120789_0001




















































Op bovenstaande kaart uit 1970 is te zien dat de Wilhelminakade bestond uit huisnummers 2-74, bij elkaar 37 adresen. De Nieuwenhuijzenstraat had 70 adresnummers. 





In 1985 worden de huizen opgeknapt. In de krant verschijnt een foto van de Wilhelminakade waar een spandoek met Blauwkade hangt, omdat er blauwe verf wordt gebruikt. 



Een mooie luchtfoto van de wijk van rond 1995-2000 is te zien in het online RAZU-archief

In 2002 werden de Wilhelminakade en de Nieuwenhuijzenstraat tegelijkertijd gesloopt. Ruim honderd woningen verdwenen daarmee uit het straatbeeld.