15 september 2026

Straatnamendebat over de 'Blaasbalg' in de gemeenteraad (1937)







De Leerdamse gemeenteraad raakte in 1937 verzeild in een straatnamen conflict. Het was een clash tussen het eren van historisch erfgoed, Oranje-symboliek en praktische bewonersbelangen



De Blaasbalg rond 1916




In de gemeenteraad van Leerdam ontstond veel animo voor een debat toen bleek dat de historische naam "De Blaasbalg" weer zou terugkeren in het straatbeeld, ditmaal als een nieuw gebouwde straat met de naam Blaasbalgstraat

Verschillende raadsleden vroegen tegelijk het woord. 

De heer Wasch en ook de voorzitter (burgemeester Hanemaaijer? HT) verdedigden de historische waarde van de naam; Wasch betreurde dat een stuk stadsgeschiedenis was verdwenen en verwees naar het boek Leerdam door de eeuwen heen van Van Gent, waarin staat dat er in 1672 al over de Blaasbalg gesproken werd. Het gaat om een eigenzinnige, zuiver Hollandse naam die op weinig andere plaatsen voorkomt. 

De voorzitter vond het achteraf bezien eveneens onjuist dat de gemeente een naam die al eeuwen voortleefde destijds had gewijzigd, en steunde het behoud ervan in de Blaasbalgstraat. 

De heer Collee was daarentegen verbaasd over de terugkeer van de "vermaledijde" naam en pleitte er liever voor om straten te vernoemen naar het vorstelijk huis, zoals een Prins Bernhardstraat of Prins Mauritsstraat.

De heer De Vries wierp zich op als verdediger van de folklore en wilde de Oranje-Nassaulaan weer herdopen in de oude voormalige naam Blaasbalg. Voor de nieuw geplande straat wilde hij de naam J.C. Rijsdijkstraat gebruiken, vernoemd naar de overleden secretaris. 

De heren Van Dam en Donga waarschuwden echter voor tegenstand van bewoners als een oude naam weer ingevoerd zou worden. 

Bovendien stelde De Vries dat het inwilligen van het eerdere verzoek van de Blaasbalgbewoners een gevaarlijk precedent had geschapen; als bewoners van de Hoogstraat morgen een Piet Heinstraat zouden eisen, zou de raad daar immers ook aan toe moeten geven. 

Naast de Blaasbalg kwamen ook de Burgemeester Meesstraat en de Jan van Arkelstraat aan bod. Omdat aan het Burgemeester Meesplein niemand woont, vond men het gepast de straat bij het ziekenhuis de Burgemeester Meesstraat te noemen en de naam Meesplein later eventueel aan de Tiendweg te geven. Tegen de naam Jan van Arkelstraat bleek zelfs bij de heer Collee geen enkel bezwaar te bestaan.

Uiteindelijk werd er per straat afzonderlijk gestemd over de voorstellen. 

  • De naam Burgemeester Meesstraat werd aangenomen met 11 tegen 2 stemmen (waarbij de heren Van Dam en Collee tegen stemden). 
  • Tegen het raadsvoorstel om een nieuwe straat de Jan van Arkelstraat te noemen bestond geen enkel bezwaar, waardoor deze beslissing vastkwam te staan. 
  • Bij de Blaasbalgstraat liep het echter anders: het voorstel om in plaats van de Blaasbalgstraat de naam J.C. Rijsdijkstraat te gebruiken werd aangenomen met 10 tegen 3 stemmen (tegen stemden de heren Kloek, Collee en Van Dam). Hiermee werd de Blaasbalgstraat dus afgewezen ten gunste van de Rijsdijkstraat. 

Na deze uitslag trok de heer De Vries zijn verdere voorstel tot hergeboorte van de Blaasbalg in tot de behandeling van de begroting, waarna de voorzitter concludeerde dat B. en W. het punt over de Blaasbalg op de volgende vergadering opnieuw aan de orde zullen stellen.

Van een hernieuwde behandeling van het onderwerp in de daaropvolgende vergadering heb ik echter niets kunnen vinden.



De Leerdammer, 9 oktober 1937






















Wat ging hieraan vooraf?


De straat Blaasbalg lag decennialang aan de noord-oostelijke kant van het centrum van Leerdam, parallel aan de voormalige oude stadsgracht langs de Oostwal. 

In 1934 was, op aandringen van de bewoners zèlf, de straatnaam Blaasbalg veranderd in Oranje-Nassaulaan

De bewoners hadden daarvoor een verzoek aan de gemeenteraad gestuurd. 


De Leerdammer, 16 juni 1934
De Leerdammer, 16 juni 1934









Een 'oude Leerdammer' klom in de pen en stuurde een hartstochtelijk pleidooi voor het behoud van de 'Blaasbalg':


De Leerdammer, 28 juli 1934





































Al snel kwam er een reactie van een van de Blaasbalg-bewoners. Zij hadden gemerkt dat de naam ‘Blaasbalg’ bij buitenstaanders regelmatig tot verbaasde blikken en vragende gezichten leidde.


De Leerdammer, 1 augustus 1934














































En zo gebeurde het dat op de gemeenteraadsvergadering van 31 juli 1934 het volgende punt op de agenda stond: 


De Leerdammer, 28 juli 1934















Als dank voor dit besluit ontving de gemeenteraad destijds een schrijven van de heer A. Bikker (vermoedelijk aannemer Arie Bikker (1867-1938)), namens de ondertekenaars van het eerder ingediende verzoek. In een brief van 11 augustus 1934 sprak hij zijn waardering uit voor de naamswijziging: "no. 244, tot goedkeuring van begrootingswijziging no. 7 van 1934."









Dat het de gemeenteraad achteraf tóch speet, is terecht mijns inziens.

Amateur-historicus Reinier van den Berg schrijft in een krantenartikel in 1987 over de Blaasbalg dat in de oudste bewaard gebleven stadsrekeningen uit 1615 al wordt gesproken over onderhoudswerk aan de dijk bij de Blaasbalg. 

Ook in een Leerdamse stadrekening van 1672 stond de straat vermeld: Aert Hendrikszoon wordt betaald voor zijn werkzaamheden aan de stadsdijk, bij de Blaesbalck buiten de Schoonderwoertsche Poort.

Comt Aert Hendrikse Buys arbeyder over arsbeytsloon en de daggelden in ’t maecken van de Stadsdyck om de Blaes-balck buyten de Schoonderwoertsche poort, volgens cadel-le XIV gulds. XZVY st.

In de Leerdamse stadsrekeningen wordt de Blaasbalg dus al in de vroege zeventiende eeuw genoemd. Ook in andere plaatsen komt de naam voor, zoals in Culemborg en Leersum.

De naam Blaasbalg

Wat de naam Blaasbalg, ook wel Blaasbalk, oorspronkelijk precies betekende, wist men in Leerdam lange tijd niet zeker. 

Amateur-historicus Van den Berg vermoedde dat de benaming in de volksmond is ontstaan en vraagt zich af of zij verband hield met de vorm van het daar aanwezige water. Ten oosten van de Blaasbalg lag een waterkerend dijkje, dat de gemeente al in 1615 onderhield. Het moest het kwelwater vanuit de Horndijk tegenhouden. De Blaasbalg was dus een lage kade die het kwel- en regenwater van de landerijen in de polder Oud-Schaik moest keren. Dat zien we ook terug in de oude stadsrekeningen. Daarin staan regelmatig betalingen voor het ‘bewaren’ van de Blaasbalg. De kade moest goed worden onderhouden en mocht niet doorbreken, zodat het water niet de omliggende landen in kon stromen.

In de achttiende eeuw komen we daarnaast een tuin of hofje met de naam De Blaasbalg tegen. Later werd ook de weg langs de kade zo genoemd. De uitdrukking ‘achter de Blaasbalg om gaan’ bleef onder oudere Leerdammers nog lange tijd bestaan, ook toen men waarschijnlijk niet meer aan de oorspronkelijke kade en het water dacht.

In Leerdam nemen veel mensen aan dat de Blaasbalg en houtzagerij Varsseveld aan elkaar verbonden zijn. Zo staat er in de krant in 1982 een ingezonden bijdrage met het citaat: "De Blaasbalg heette zo, omdat de eerste horizontale vuurgangketel op de binnenwerf met houtafval werd gestookt en het vuur met een enorme blaasbalg aangeblazen werd." 

Maar Varsseveld ontstond pas rond 1781, aan het einde van de achttiende eeuw. En we zagen hiervoor dat de Blaasbalg al werd genoemd in de Leerdamse stadsrekeningen uit de zeventiende eeuw. Daarmee valt de voorgestelde verklaring eenvoudigweg niet te rijmen met de bronnen.


De naam en de vorm van een perceel

In de toponymische literatuur wordt Blaasbalg/Blaasbalk gebruikt voor min of meer trapeziumvormige, taps toelopende percelen. De vorm van zo’n perceel doet denken aan een ouderwetse blaasbalg: breed aan de ene kant en spits aan de andere. Het echtpaar C. H. Edelman en A. W. Edelman-Vlam beschreef dit al in 1966 in hun onderzoek naar de relatie tussen namen en vormen van percelen in het rivierkleigebied. Zij noemen verschillende plaatsen waar blaasbalg of blaasbalk werd gebruikt voor dergelijke percelen, onder andere Brakel, Ingen, Ochten, Dreumel en Ewijk.

Een mooi oud voorbeeld vinden we bij Woudrichem. Van Andel noemt daar ‘den Blaesbalch’, een naam die al in 1554 en 1616 voorkomt. De betreffende boerderij stond aan het uiteinde van een taps toelopend perceel. Ook daar lijkt de naam dus naar de vorm van het perceel te verwijzen. 

Dat maakt deze verklaring voor Leerdam aannemelijk. De vorm van het oorspronkelijke perceel of gracht rond de Blaasbalg deed denken aan een blaasbalg, het werktuig waarmee een smid zijn vuur aanwakkerde.

Humoristisch eigenlijk wel: de naam Blaasbalg past dus wel bij de látere geschiedenis van het smidsvuur bij houtzagerij Varsseveld!


Jan Luyken, De Blaasbalk, 1711. 
Ets, proefdruk, uit Het leerzaam huisraad (Amsterdam).
Bron: Rijksmuseum.



































Stadsplattegrond Leerdam, 1600-1650, 
met links buiten de stadswallen: de Blaasbalg.
collectie Hingman 3345 Nationaal Archief NL-HaNA_4.VTH_3345
























Rond 1884 wordt een gedeelte van de Blaasbalg voorbereid als terrein voor houthandel Varsseveld. 


Advertentieblad 21-3-1884

























Aan de voet van de Oostwal lag vroeger een gracht, de Kikvorsengracht, die volgens Van den Berg ook als de Blaasbalg werd aangeduid. Deze watergang is rond 1892 gedempt en bij de ingebruikname van de binnenterreinen van de glasfabriek Varsseveld opgevuld met kolenas. In 1904 werd besloten het 'grachtje' bij de Blaasbalg te dempen. 
Bij werkzaamheden aan het parkeerterrein aan de Oranje Nassaulaan was de vroegere situatie nog duidelijk zichtbaar: langs de Oostwal lag eerst een gedempt stuk water van ongeveer vijftien meter breed, vervolgens een ongeveer even brede strook land en daarna opnieuw een gedempte sloot van circa tien meter breed. Die laatste watergang zou de Blaasbalg zijn geweest.

Van den Berg ziet overeenkomsten met de situatie aan de noordzijde van de stad. Ook daar lag langs de Noordwal een gracht, gevolgd door een smalle strook land en vervolgens de Meentvliet. Aan de westzijde van Leerdam was een dergelijke situatie niet aanwezig, omdat de afwatering daar via de vlieten naar de molens langs de Linge verliep.

Ten oosten van de Blaasbalg lag bovendien een dijkje in de polder Oud-Schaik, dat al in 1615 wordt genoemd. Hoewel het geen gewone polderdijk was, werd dit waterkerende dijkje door de gemeente onderhouden, omdat het het kwelwater dat door de Horndijk kwam, moest tegenhouden. In de stadsrekeningen wordt regelmatig melding gemaakt van verhogingen van de dijk. De benodigde grond werd aangevoerd vanuit de Steenwaard, het huidige buitendijkse terrein van Varsseveld. In 1709 moest de kade bovendien met rijshout worden versterkt, waarbij maar liefst 82 bossen lang rijshout werden gebruikt, waarschijnlijk omdat de kade door een doorbraak was beschadigd.


Helaas keerde de historische naam De Blaasbalg niet meer terug in de Leerdamse topografie.

Na het verdwijnen van de houtindustrie (waardoor de straat altijd vol zaagsel en krullen lag) werd de Oranje-Nassaulaan aan beide zijden bebouwd. 

Toch leeft de oude naam nog steeds voort. Echte oud-Leerdammers noemen de plek nog altijd de ouwe Blaasbalg.





























Meer foto's zijn te zien op de beeldbank van de Historische Vereniging.


Bronnen:
  • Andel, Bas van, "Etymologica: De Blaasbalg en andere toponiemen voor scheve percelen" (2024), geraadpleegd d.d. 15-09-2026 via Neerlandistiek.nl.
  • Berg, R. v.d. "De stad en zijn plattegrond" in: De Gecombineerde 15 september 1979.
  • Berg, R. v.d., "Achter de Blaasbalg omgaan" in: De Gecombineerde 23 september 1987.
  • De Leerdammer, "Agenda voor de openbare vergadering van den Raad der gemeente Leerdam, te houden op Donderdag 27 September 1934, des namiddags 7 uur, in de Raadzaal" in: De Leerdammer, 22 september 1934.
  • Edelman, C.H. & A.W. Edelman-Vlam, "De relatie tussen naam en vorm van percelen in het rivierkleigebied" in: Boor en Spade 15 (1966), pag. 17, geraadpleegd 15-09-2026 via Edepot.wur.nl.
  • Leede, van der, "Oud-Leerdam hoort in de Oudheidkamer" in: De Gecombineerde 17 september 1960

Geen opmerkingen:

Een reactie posten